Meije 310
3474 ME Zegveld
Tel: 0172-685545
Fax: 0172-685090
E-mail:
info@gras-en-wolken.nl
Rabobank Woerden
33.83.31.905

KvK Utrecht
30176467
"Wat onvervangbaar is, kun je maar één keer verknoeien" (Koos van Zomeren)
welkom   columns door Bram van der Vlugt
Columns door Bram van der Vlugt

 

2009: Toespraak op minisymposium over Meije Graslanden in Nieuwkoop op 26 juni 2009
 
2008: Gespreksnotitie voor Commissie LNV Tweede Kamer mei 2008  - Stop de kolder
 
2006: Alarm
 
2005:  Dromenland - Vertrouwen - Kaartenhuis - Ouwe koeien - Vitaal Platteland? - Boeren, natuur en boerennatuur
 
2004: De regenworm - Niet genoeg - De berg - Tureluurs - Eigenbelang - Over verwend zijn en verwend worden
 
2003: Hoe houden we die boeren dan aan het boeren? - In de ijskast - Mensen en boeren - Luilekkerland - De groene glazenmaker

Toespraak op minisymposium over Meije Graslanden in Nieuwkoop op 26 juni 2009
Inleiding Bram van der Vlugt

In 1989, toen de Ecologische Hoofdstructuur werd uitgevonden, was de heersende mening dat agrarische productie tegengesteld was aan natuurbeheer. En niet geheel ten onrechte. In 1989 bestond zelfs het wóórd agrarisch natuurbeheer nog niet.
In 2009 weten we beter. We weten nu dat ecologie en economie heel goed samen kunnen gaan.
Er is in de laatste twintig jaar zoveel gebeurd in de melkveehouderij, dat ik vrees  dat de provincie Zuid-Holland opdracht heeft gegeven voor een natuurontwikkelingsplan dat gebaseerd is op verouderde inzichten.

Hoe kon dat zomaar gebeuren? 

Komt het doordat Gedeputeerde Evertse moet voldoen aan de opdracht dat hij koste wat kost 3500 ha nieuwe natuur in zijn provincie moet realiseren? Ik weet het niet. 

Het lijkt alsof de kaarten zijn geschud. Lees de visie die DLG heeft uitgebracht voor de ontwikkeling van nieuwe natuur in de Meije Graslanden. Centrale opdracht: natte natuur. Toch hebben wij van de Stichting behoud Meije Graslanden goede argumenten om bezwaar te maken tegen dat natuurontwikkelingsplan van de provincie Zuid-Holland.

Vechten we tegen windmolens? Zijn we  een stelletje dwarsliggers, die alleen maar bezig zijn om een onafwendbare ontwikkeling te vertragen?
Ik geloof van niet. Wij zijn zeer bezorgd en we hebben meteen, in october 2007 al, bij onze eerste ongerustheid een alternatief aangeboden, waarbij het landschap wordt gespaard en boeren worden  ontzien. Vorig jaar hebben we op verzoek van de provincie dat alternatief uitgewerkt tot een plan voor een zogenaamde ‘natuur en landschapsboerderij’ inclusief een financiële paragraaf.

Wij hebben de overtuiging dat het mogelijk is en ook zeer gewenst om duurzame melkveehouderij en EHS in de meije Graslanden te combineren.

Dit kabinet spreekt zich daarover in het coalitie akkoord ondubbelzinnig uit:
De EHS wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van een vitaal en veelzijdig platteland. ‘De EHS’ zo staat er letterlijk,
‘biedt boeren de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen via agrarisch natuurbeheer.’

Maar dat is niet alles: Wij weten ons gesteund door vele uitspraken die in die richting wijzen.

De Tweede Kamer is in grote meerderheid van mening dat uiterst terughoudend moet worden omgegaan met het omzetten van landbouwgrond in nieuwe natuur.
Datzelfde hoor je van veel kanten van de samenleving.

Esther de Lange, met voorkeurstemmen in het Europarlemant gekozen, zei: “Landbouw en natuur moeten samen kunnen gaan. Nu verdwijnt er in Nederland te veel landbouwgrond voor nieuwe natuur. De Europese Commissie moet duidelijker aangeven wat er precies van ons wordt verwacht.” 

Wat te denken van een brief van De Minister van LNV die op 13 maart 2008 aan Gedeputeerde Evertse schrijft: “Er zijn eventueel wel mogelijkheden om binnen het bestaande moerasgebied van de Nieuwkoopse Plassen een belangrijk deel van de doelstellingen te realiseren, waardoor de Zuid-Hollandse Meije Graslanden mogelijk zouden kunnen worden ontzien.” 

Let op de woordkeuze. De Minister gebruikt het woord ‘ontzien’, dat betekent hetzelfde als dat de MeijeGraslanden ‘buiten schot kunnen blijven’ of ‘gespaard kunnen worden’ of misschien zelfs ‘gered kunnen worden van de ondergang.’ Maar die laatste variant gaat ongetwijfeld te ver voor een minister en neem ik zelf voor mijn rekening. 

De Minister heeft zich ook meerdere malen afgevraagd: “Waarom kiezen we niet voor landbouw mét natuur?” 

Minister Veerman heeft destijds de aankoop van landbouwgronden ten behoeve van de EHS tijdelijk stilgelegd. 

In dit kader is het interessant dat Theo Wams, directeur van Natuurmonumenten zich beklaagt dat de EHS slechts met 50 ha per jaar toeneemt en dat dat er 5000 per jaar zouden moeten zijn. Wat zou daar de oorzaak van zijn, Theo?  Zouden de bakens misschien moeten worden verzet? 

En de Voorzitter van Natuurmonumenten publiceerde als Minister de agenda VITAAL PLATTELAND, waarin hij een pleidooi houdt voor innovatieve en duurzame boeren. Dat deed hij als Minister vaker en met succes.   

Maar ik hoor U al zeggen:
Moeten die innovatieve  en duurzame boeren dan ook boeren in een gebied dat aangewezen is als natte natuur?       De Meije Graslanden zijn een bijzonder geval. ‘Daar nou juist niet!’ heb ik mensen van Natuurmonumenten herhaaldelijk horen zeggen.

Volgens de DLG visie en ook volgens Natuurmonumenten zijn de Meijegraslanden het belangrijkste natuurontwikkelingsproject in de regio. Ik citeer: ‘De MeijeGraslanden staan in rechtstreekse verbinding met het natuurgebied Nieuwkoopse plassen. Er ligt geen infrastructuur tussen en geen bebouwing. De gebieden kunnen samen één geheel gaan vormen. MGL zijn de plek bij uitstek om de waternatuur van de Nieuwkoopse Plassen te versterken.’ Einde citaat.

De Provincie, staat in de DLG visie, streeft naar verwerving van alle gronden in de MGL. Streven kan altijd. Maar erg realistisch is dat streven niet.
De helft is nog niet verworven en voordat dat zover is, gaan er nog wel een paar generaties boeren overheen. De 8 zittende veehouders zijn allemaal sterk gemotiveerd om in de Meije Graslanden te blijven boeren. Daarmee staat de centrale opdracht zoals die door DLG voor de meije graslanden is geformuleerd: “natte natuur realiseren” op losse schroeven. Gebouwd op drijfzand zou ik willen zeggen.

Ik wil in dat verband Paul Terwan aanhalen, die in opdracht van de provincie Zuid-Holland de plannen heeft beoordeeld: Hij schrijft:
“In internationale context is het trouwens nog maar de vraag of laagveenmoerassen begerenswaardiger zijn dat het veenweidelandschap.”

De opdrachtgever, Provincie Zuid-Holland, heeft wat dat betreft nog geen definitieve keuze gemaakt, maar DLG kennelijk wel en klaarblijkelijk ten gunste van laagveenmoerassen.

Waarom is er eigenlijk voor dit plan geen draagvlak.

De samenleving heeft in de gaten hoe de boeren de afgelopen decennia zijn veranderd, hoe duurzame boerenbedrijven van wezenlijk belang zijn voor het veenweidegebied.
Steeds meer mensen begrijpen dat boerenland een grote biodiversiteit kan opleveren. Eddy Weeda heeft daar een prachtig boek over geschreven. Titel: BOERENDIVERSITEIT VOOR BIODIVERSITEIT. Het eerste exemplaar heeft ie nota bene in 2004 aangeboden aan de directeur van Natuurmonumenten, Jan Jaap de Graef! 

De Meije Graslanden zullen ondanks alle protesten wel bij het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck gaan horen, maar de doelen van dat Natura 2000 gebied staan nog niet vast. Wat schrijft Gedeputeerde Evertse in Veldwerk, het blad van Natuurmonumenten? “We maken het beheerplan samen met de eigenaren, beheerders en andere belanghebbenden. Wanneer we gezamenlijk merken dat een natura 2000-doel niet haalbaar is, dan bespreek ik dat in het najaar met minister Verburg. Ik heb met haar afgesproken dat zij pas na dat overleg de natura 2000 doelen definitief vaststelt.”

Om de grond te verlossen van een overmaat aan fosfaten wil Natuurmonumenten grote delen afplaggen. Ik betwijfel  of een zo drastische en onomkeerbare ingreep in het landschap als afplaggen gerechtvaardigd is, als er nog zoveel onzekerheid bestaat over het effect ervan. Er zijn zeer slechte ervaringen met zogenaamd ontgronden. Is er al ergens anders op veengrond positief resultaat behaald? Ik vraag het me af. En wat mag dat allemaal gaan kosten?

We willen, zeggen ze bij Natuurmonumenten, het landschap weer net zo mooi maken als toen de Haagsche School schilders hier werkten. Nou, dat kan heel goed. Want toen was het ook boerenland. Met koeien.

Een  melkveehouderij kan uitstekend passen binnen de Ecologische Hoofd Structuur.

Er zijn tal van varianten om zowel de boeren in hun waarde te laten, ze te stimuleren om het nog beter te doen, om het eeuwenoude cultuurlandschap te behouden en om ook een belangrijk aantal natuurdoelen te behalen. Economie en ecologie hand in hand.

 

Ik hoef aan dit gezelschap niet uit te leggen dat boeren belangrijk zijn in het Groene Hart. Dat het landschap eeuwenoud is en uniek. Wel wil ik benadrukken dat de MeijeGraslanden voor ons en voor veel mensen DE VOORKANT zijn van het gebied. Terwijl het voor mensen die het gebied niet uit eigen waarneming kennen gezien wordt als het achterste deel van natuurgebied Nieuwkoopse plassen, zo’n achterstuk, dat je er logischerwijs aan toe kunt voegen.

Wij vinden niet dat de MeijeGraslanden vanzelfsprekend bij het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen behoren. Ik zie persoonlijk het maken van één groot nat natuurgebied vanaf Nieuwkoop en Noorden tot aan de Meije als een vorm van annexatie. Als iets wat ze in de zakenwereld een vijandige overname noemen. Er is nauwelijks draagvlak voor. Wij willen dat landschap behouden, met boeren en koeien. En dat is helemaal niet strijdig  met natuurbehoud, natuurbeheer en natuurontwikkeling. Integendeel. Boeren plegen ook natuurbeheer, maar MET BEHOUD VAN LANDSCHAP.

De kaarten zijn nog niet geschud. Er is hoop. De Stichting tot behoud van de Meije Graslanden is inmiddels als partij geaccepteerd en wordt nauw betrokken bij het verdere proces. Het lijkt mij verstandig om die club serieus te nemen.


Gespreksnotitie voor Commissie LNV Tweede Kamer, mei 2008
Gespreksnotitie van Bram van der Vlugt Stichting Gras & Wolken
[Mijn inbreng beperkt zich tot de veenweidegebieden in het Groene Hart.]


Ik denk dat men, juist in de Randstad, zeer terughoudend moet zijn met het omzetten van landbouwgronden in natuur. Het is een onomkeerbaar proces met onbekende gevolgen.

Ik denk dat zorg om [bedreigde] flora en fauna heel goed kan samengaan met ecologische landbouw.
Ik denk dat de melkveehouderij in het Groene Hart van groot belang is
1. als landschapsbeheerder,
2. als bron van kennis en kunde,
3. als producent van streekproducten.

De samenleving vraagt steeds vaker om regionaal geproduceerd voedsel omdat dat
1. vers en lekker is
2. controleerbaar veilig is
3. herkenbaar is, identiteit heeft
4. minder belastend is voor het milieu omdat er minder transport is.

Agrarisch natuurbeheer geeft aan het landschap verbetering van de ecologie zonder vernietiging van de cultuur. Agrarisch natuurbeheer is een belangrijke ontwikkeling aan het doormaken. Met name ten aanzien van waterbeheer is nog veel mogelijk. Denk aan natuurvriendelijke oevers, van belang in verband met de KaderRichtlijnWater

Boerenverstand en natuurbeheer gaan hand in hand en versterken elkaar door samenwerking.
‘Met het verdwijnen van de boerenstand verdwijnt ook het boerenverstand.’
Anders gezegd: er gaat een enorm arsenaal aan kennis en kunde verloren.
De mensen die het kunnen en het land waarop het kan, krijg je nooit meer terug.

Natuurbeheer zonder boeren is bovendien heel duur.

Nieuwe Natuur, met nat grasland, plas-dras en moeras, betekent een hoger waterpeil. Einde van boerenland en weidelandschap. Het open karakter van het in heel Europa unieke cultuurlandschap verdwijnt. Want moeras leidt onherroepelijk tot moerasbos en tot een nieuwe biotoop met onbekende effecten. Blauwtong bijvoorbeeld wordt verspreid door knutten, die veel voorkomen in natte gebieden. Er dreigt een muggenplaag en een reële kans op malaria.
Maar:
Verstandig waterbeheer kan ook zonder onnodige vernatting heel goed samen met ecologische melkveehouderij. Dank zij moderne technieken. Zoals dynamisch peilbeheer, onderwaterdrainage, lichtere machines, andere manier van bemesten, etc

Recent onderzoek van Alterra toont bovendien aan dat introductie van onderwaterdrainage leidt tot aanmerkelijke vermindering van het inklinken van het veen.

De stedeling in de Randstad is als consument en recreant weer verknocht geraakt aan boeren, boerenland, boerenproducten en boerennatuur. Laten we er zuinig op zijn.

terug naar boven ^


Stop de kolder
Toespraak Bram van der Vlugt bij
start actie STOP DE KOLDER GEEN MOERAS IN ONZE POLDER, 15 februari 2008

Afgelopen maandag stond er een artikel in NRC Handelsblad met de kop: “Boer en boswachter ruziën om natuur”. Daarin wordt een boswachter van Staatsbosbeheer geciteerd naar aanleiding van het feit dat 162 gebieden worden aangewezen als Natura 2000 gebied. Hij zegt: “Dat betekent een steun in de rug. Het geeft ons extra argumenten om niet te zwichten voor maatschappeljke druk.” Zo zo, boswachter, denk ik dan, dat is nogal een ferme uitspraak. Maatschappelijk draagvlak doet er dus niet toe...

Iemand zei van de week naar aanleiding van onze alternatieve voorstellen voor de inrichting van de Meije Graslanden: “Wat zal Natuurmonumenten boos zijn.” Dat hoop ik toch niet. Ik zou dat ook heel jammer vinden. De bewoners van de Meije zijn niet tegen natuurontwikkeling. Wij vinden alleen  dat het niet of/of is, [of natuur of boeren], maar dat het en/en moet  zijn en wij willen daar een bijdrage aan leveren.
In 1989, toen de Ecologische Hoofdstructuur werd uitgevonden, was de heersende mening dat agrarische productie tegengesteld was aan natuurbeheer.
In 2008 weten we beter. We weten dat ecologie en economie heel goed samen kunnen gaan.
In 1989 bestond zelfs het wóórd agrarisch natuurbeheer nog niet. Er is in de laatste twintig jaren zoveel gebeurd in de melkveehouderij, dat je alleen maar kunt constateren  dat de provincie Zuid-Holland opdracht heeft gegeven voor een natuurontwikkelings plan dat gebaseerd is op totaal verouderde inzichten.
En wat blijkt dan: als zo’n plan in 2007 openbaar wordt gemaakt, is er in de samenleving geen  maatschappelijk draagvlak voor! Ja, vind je het gek?  

De samenleving heeft in de gaten hoe de boeren zijn veranderd.
De samenleving begrijpt dat we alles moeten doen om het eeuwenoude cultuurlandschap te behouden en dat dat niet zonder boeren kan.
En de samenleving heeft door dat boeren net als vroeger de beste beheerders zijn van het landschap.

Begrijpt U ons goed: wij zijn niet tegen de doelstellingen van een natuurontwikkelingsplan.  Wij maken alleen bezwaar tegen de manier waarop  men na zoveel jaar agrarische ontwikkeling nog steeds meent dat de melkveehouderij in dit gebied geen toekomst heeft en dat de boeren op den duur allemaal wel zullen vertrekken.

Wij denken dat er tal van varianten zijn om zowel de boeren in hun waarde te laten, ze te stimuleren om het nog beter te doen, het eeuwenoude cultuurlandschap te behouden als ook de nodige natuurdoelen te behalen. Economie en ecologie, hand in hand.

Een ecologische melkveehouderij kan uitstekend passen binnen de Ecologische Hoofd Structuur. 

Maar: de Meije Graslanden liggen niet alleen binnen de EHS, ook binnen een Natura 2000 gebied.  Dat is gebied nummer 103 en het heet “Nieuwkoopse Plassen en de Haeck”.
En let op: het wordt gekenschetst als “Meren en Moerassen”.
Kijk en dan vallen de puzzelstukjes ineens op hun plaats. De provincie heeft gelijk. De natuurdoelen die in Nieuwkoopse Plassen en de Haeck behaald moeten worden kloppen exact met de beschrijving van de natuurdoelen in het Natura 2000 document voor een meren en moerassengebied.

Maar dat er 500 ha grasland onderdeel is van het gebied Nieuwkoopse Plassen, dat nog steeds geheel boerenland is, dat kom je in de beschrijving van het Natura 2000 document niet tegen.
Dat is raar. 

Maar het verklaart veel. Het heeft geleid tot  een natuurontwikkellingsplan dat de bestaande situatie negeert, geen draagvlak heeft, geen recht  doet aan cultuurhistorie of agrarisch natuurbeheer en niet aan de toekomst van de melkveehouderij in het Groene Hart.
En, wat ook belangrijk is: ook  niet aan wat de samenleving in 2008 van een mooi landschap verwacht.

Natuurontwikkeling is onder meer bedoeld voor bescherming van bedreigde diersoorten.
Ik vraag me af  wat eigenlijk de méést bedreigde diersoort is in het Groene Hart.
Misschien is het wel de melkveehouder.

En terwijl U daarover na kunt denken, geef ik graag het startsein voor de actie STOP DE KOLDER, GEEN MOERAS IN ONZE POLDER.

terug naar boven ^


Alarm
Deze column verscheen eerder in ‘Groene Hart Visie’, voorjaar 2006

Over het ontwikkelingsprogramma voor het Groene Hart is inmiddels al veel gezegd en geschreven. De opstellers krijgen er flink van langs van mensen die vinden dat dit land niet zonder boeren kan. Een van de speerpunten in dat programma is: functie volgt peil. Dat betekent dat in alle laagveen gebieden en in alle droogmakerijen de melkveehouderij moet verdwijnen. Daarmee wordt botweg genegeerd dat er belangrijke ontwikkelingen zijn op het gebied van flexibel slootwaterpeil en onderwater-drainage, die het veen veel meer mogelijkheden geven om op te boeren. In al die gebieden dus geen weilanden meer en geen koeien. Wat dan wel? Laat me raden. Nieuwe natuur, water, witte schimmel en bedrijventerreinen. Is dat winst? Of is het onontkoombaar en in elk geval beter dan dat je niks bedenkt? De verwarring is groot.

Wat las ik in NIEUWE OOGST, het blad van de LTO.

“Het bouwen van huizen in het Groene Hart stopt niet, maar er liggen nog kansen om iets van het landschap te behouden”  Het komt uit een rapport van het Landbouwkundig Economisch Instituut, het LEI: “De stedelingen hebben behoefte aan de ruimte en het groen op het platteland en daar liggen de kansen voor de bewoners van dat platteland.”

Vervolgens krijgen boeren van het LEI het advies  zich meer met het onderhoud van het landschap bezig te houden en minder met de productie van voedsel. Grotere onzin heb ik zelden gelezen. Een boer die zich niet bezig houdt met het produceren van voedsel is geen boer maar een landschapsbeheerder en wat erger is: het landschap dat hij dan beheert zal niet het agrarisch landschap zijn waar de stedeling zo’n behoefte aan zou hebben.

Het LEI schaart zich met dit rapport in de rij van zogenaamde realisten, door mij graag fatalisten genoemd, die beweren dat het afgelopen is met de melkveehouderij in het Groene Hart. De uittocht gaat door, stellen ze, de concurrentie met grootschalige bedrijven in Europa is niet vol te houden en je kunt maar beter het land herinrichten dan overlaten aan verrommeling.

Als je dat soort dingen maar vaak genoeg herhaalt krijg je zonder twijfel gelijk. Zo krijg je de boeren wel weg.

Maar als het agrarisch cultuur landschap van het Groene Hart je werkelijk aan het hart gaat, dan wil je wat anders. Dan doe je je best. Dan ga je samen met boeren op zoek naar mogelijkheden om zich door kwaliteit te onderscheiden van bulkproductie, dan richt je je op streekproducten die de identiteit van het veenweidegebied vertegenwoordigen. Dan stimuleer je boeren die al in de praktijk bezig zijn om een gezonde kringloop op het bedrijf te bereiken; die produceren op een manier die de natuur aanwijst. Die met minder liters melk per koe, toch een beter rendement halen en een flora en fauna op hun land hebben die natuurbeschermers versteld doet staan.

Het LEI vindt dat boeren zich minder moeten bezighouden met voedselproductie en toch moet volgens het LEI in het licht van betere communicatie tussen stad en platteland een sleutelrol zijn weggelegd voor winkels met streekproducten. Wie die producten dan zouden moeten maken vertellen ze er niet bij. Ze zeggen ook dat mensen die op het platteland wónen, maar in de stad werken een belangrijke schakel zijn…..

Ik ken ze. Ik ben er zelf zo een en ik weet dat stadse mensen die het voorrecht hebben om op het platteland te wonen helaas buitengewoon weinig betekenen voor het in stand houden van het landschap. Dat kunnen ze ook niet. Sommigen maken het wel erg bont. In plaats dat ze blij zijn dat ze gast mogen zijn op het land dat anderen zo mooi hebben gemaakt en dat ze boeren koesteren als de behoeders van hun luxe leefomgeving, zeuren ze over stank en geluidsoverlast.  Daar schijnen ze in Zeeland nu een oplossing voor gevonden te hebben door in de regelgeving het begrip ‘Plattelandswoning’ te introduceren. En voor zogenaamde Plattelandswoningen gelden dan andere normen dan voor burgerwoningen.

Groot alarm: Er staan volgens het Sociaal- en Cultureel Planbureau 120.000 recreatiewoningen en 220.000 stacaravans in het landelijk gebied. Nog afgezien van 9000 reguliere woningen die recreatief worden gebruikt.

De waarde van het Platteland staat of valt met de mensen die er wonen én er werken. Als er op het platteland alleen nog maar mensen wonen die elders werken, of, erger nog, mensen die helemáál niet meer werken, dan stijgt wellicht de waarde van het onroerend goed, maar de waarde van het land holt achteruit.

Met het verdwijnen van de boerenstand verdwijnt de waarde van het platteland.

En dat is een waarheid als een koe.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Dromenland
Deze column verscheen eerder in ‘Platteland’ nr 4, winternummer 2005

Veenweiden heb je in Friesland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. En dat is het dan.Verder nergens. In de hele wereld niet. De Nederlandse veenweiden zijn uniek. Vanwege hun historische structuur, cultuur én vanwege hun natuurwaarde.  Aan de natuurwaarde van veenweiden wordt wel eens getwijfeld. Dat snap ik wel. Toen in de jaren 80 van de vorige eeuw de Ecologische Hoofd Structuur werd bedacht, was er beslist sprake  van een tegenstelling tussen boerenland en natuur. Hoe kwam dat? Boeren waren sinds de vijftiger jaren opgejaagd om steeds meer melk te produceren voor minder kosten en daar paste veel kunstmest bij en weinig aandacht voor natuur. Maar de afgelopen twintig jaar is er heel wat veranderd in boerenland. Weliswaar hebben veel boeren het hoofd in de moede schoot gelegd, uitgeput door een overdaad aan ontmoedigende regelgeving. Maar veel anderen zijn zich gaan bekwamen in duurzaamheid en agrarisch natuurbeheer.

Twintig jaar geleden leek de EHS het antwoord op verarming van flora en fauna door boerenactiviteit. Bovendien was natuurontwikkeling de ultieme oplossing om  Het Groene Hart groen te houden. Maar natuurontwikkeling betekent vaak ook vernatting en daar gaat de schoen wringen. Want grootschalige vernatting betekent tegelijk het einde van het unieke veenweidenlandschap.  

Ik droom wel eens van een melkveebedrijf van een jonge boer waar evenwicht bestaat tussen productie en natuurbeheer. Net als vroeger. Waar kleine, lichte, sobere koeien grazen. Blaarkoppen bijvoorbeeld. Ik droom van grasland met een rijk en gezond bodemleven met vette regenwormen. Een gezonde bodem is luchtig en in staat om mineralen maximaal te benutten en aan het gras af te geven. Zo’n bodem moet met beleid bemest worden. Niet alleen met gier, maar ook met ruige, verteerde stromest en met bagger uit de sloten. Kunstmest komt er niet meer op. De gier uit de stal van mijn droom stinkt niet, want de verhouding koolstof/stikstof (C/N) is zo gunstig dat deze gier nauwelijks ammoniak bevat. Dat komt doordat die boer structuurrijk en eiwitarm voert en dat vinden blaarkoppen lekker. Dat soort koeien gaat lang mee, geeft wel wat minder melk per jaar, maar gedurende meer jaren,  de melk heeft een hoog eiwit- en vetgehalte en is heel geschikt om te verkazen. Deze jonge boer houdt zijn kalveren in een potstal, dik belegd met stro, of misschien  –dat moet hij nog avonturen- met rietafval uit de natuurreservaten. Het achterste deel van zijn land beheert hij namelijk als natuurland. Misschien is het gedeeltelijk rietland met een hoger waterpeil, misschien ook moerasbos. Dat deze boer de nesten van grutto’s en kieviten ontziet spreekt vanzelf. Hij krijgt er trouwens geld voor. Net als voor het onderhouden van de rijk bloeiende slootkanten, waar zeldzame libellen je om de oren vliegen.

Verzin ik dit alles in mijn dromen? Welnee. Het is uit het leven gegrepen. Ik ken boeren die al zo werken en ik ken jongens en meisjes die dolgraag het veenweidegebied op die manier in stand willen houden. Er zijn inmiddels onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat dit soort duurzaam boeren wel degelijk rendabel kan zijn. ‘De mythe dat boeren geen toekomst meer hebben, moest maar es worden doorgeprikt’ zei Minister Veerman. En zo is het.  

Ik droom ook wel eens dat zo’n bedrijf met zoveel diversiteit binnen de EHS ligt en niet ernaast, maar die droom wil maar geen werkelijkheid worden. Toch is dat buitengewoon jammer, want zo’n boerderij past uitstekend in de grote aaneengesloten natuurgebieden, die samen een  Ecologische Hoofd Structuur moeten gaan vormen. Een herbezinning van de definitie van EHS zou een zegen zijn voor de toekomst van de veenweiden en daarmee een belangrijke stimulans zijn voor de voedselproductie in Het Groene Hart. Want let op mijn woorden: regionale voedselproductie is van grote betekenis voor bewoners van de Randstad. ‘Je moet het voedsel maken waar de monden zijn’, is een oude wijsheid en dat kan in de toekomst wel eens noodzakelijker worden dan menigeen nu nog denkt.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Vertrouwen
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’, herfst 2005

Het Poldermuseum in Noorden bestaat al 20 jaar. Noorden ligt in het Westen. Aan de Nieuwkoopse Plassen om precies te zijn, midden in Het Groene Hart. De oprichter en beheerder van het museum, Gerrit Brouwer, heeft  laatst zo enthousiast zitten vertellen over zijn museum, over de geschiedenis van Noorden, zijn passie voor het land en voor de mensen die het gemaakt hebben, dat mijn vrouw en  ik er rode oortjes van kregen. We raakten ontroerd door zijn verhalen.

Hij vertelde hoe de inwoners van Noorden, in vroeger eeuwen, toen de inkomsten van de schrale veengronden te laag werden, de bakens hebben verzet om te overleven. Ze gingen turf maken, want ze zagen wel handel in brandstof. Hij vertelde over het verschil tussen turf maken in deze streek en turf steken zoals dat gebeurde in de hoogveengebieden. Turf maak je door te baggeren en de bagger te laten drogen op legakkers.  In het hoogveen hoef je alleen maar boven de grondwaterspiegel te graven en te steken.

Zo kwam er steeds meer water en de Noordenaren gingen dus ook vissen, jagen en riet snijden. De activiteiten werden door de seizoenen heen georganiseerd:  turf maken in de zomer, ruigt snijden in september-oktober, mos plukken in november en december, in januari riet snijden en in het voorjaar sluiken. Dat is het schoonmaken van het riet om het geschikt te maken als dakbedekking.

De kinderen verdienden een zakcentje met het oogsten van valeriaan, kalmoes en zonnedauw. Nou ja, zakcentje: in veertien dagen verdienden ze meer dan hun vader in een maand….Maar ze mochten de centjes niet zelf in hun zak steken: jaarlijks werden er door de moeder communiejurkjes en aanneem-pakjes van gekocht.  

De Noordenaren benutten alles wat ze konden gebruiken, maar zorgden er wel voor dat ze hun schepen niet achter zich verbrandden. Het motto was en is nog steeds: als je goed bent voor de natuur is de natuur ook goed voor jou. Ze keken dus wel uit om niet alle planten te rooien, de hele plas leeg te vissen, of alle eenden weg te schieten.

’s Winters visten ze onder het ijs. Het ijs werd ook geoogst en opgeslagen in ijsschuren. Brouwer laat zien hoe die er uitzagen, “met zúlke dikke houten wanden met zaagsel ertussen!”  Er staat er nog steeds eentje in Noorden.

Als kind werden ze de bomen in het bos van Blom ingestuurd om purperreiger-jongen te ringen. Ze telden ooit in één jaar wel 365 purperreiger nesten! Kom daar nu es om. Waar zijn ze gebleven? Waardoor is de purperreiger kolonie in het Nieuwkoopse plassengebied, waar Natuurmonumenten zo trots op is, gedecimeerd? Komt het misschien door de vossen? Die niet mogen worden bejaagd?  Wie het weet mag het zeggen.

Brouwers museum toont een veelheid aan gereedschappen, kledingstukken en gebruiksvoorwerpen die tezamen een mooie indruk geven van de geschiedenis van de streek. Ik vroeg hem of hij al die spullen zelf heeft gekocht. “Ik heb nooit wat gekocht”, zei hij. “Altijd alles gekregen. Je moet het vertrouwen hebben van de dorpelingen”.  

Vertrouwen is ook de basis waarop bijvoorbeeld het Westelijk Veenweidegebied behouden kan worden. We zouden wat meer moeten vertrouwen op de boeren. We redden het niet met ambitieuze plannen die met mooie woorden door dure bureaus zijn ontwikkeld.

In Trouw schreef Annelies Huygen een tijdje geleden daarover:

“Radicale veranderingen zijn typerend voor de wereldvreemde tekentafelcultuur in Haagse kringen. Het werkt als volgt:. Bestuurders leggen een wit papier op de tekentafel en bedenken een model. Alles in de sector moet anders. Wat goed is moet ook weg, anders klopt het model niet meer.[….] Het gehele veld moet zich maar schikken. Dat is de arrogantie van de macht.”

Echte vernieuwing komt van onder af. Soms uit nood geboren, zoals vroeger in Noorden, maar altijd uit de praktijk.

Koos van Zomeren schreef eens:

“Wat uniek is, is onvervangbaar en wat onvervangbaar is, kun je maar één keer verknoeien.” 

Maar wat uniek is kan wel worden verbeterd, versterkt en verlevendigd. De creativiteit waarmee steeds meer melkveehouders kleinschalige productie en natuurbeheer weten te combineren, is revolutionair  en essentieel voor de toekomst van de veenweiden. Daarover maar weer es een volgende keer.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Kaartenhuis
Deze column verscheen eerder in ‘Groene Hart Visie’, zomer 2005.

Er is weer een nieuw plan voor het Groene Hart. Het wordt beschreven in een boekje met een mooie titel: “Met het Groene Hart op de juiste plaats”.  Uitgegeven door zeven  samenwerkende natuur- en milieuorganisaties in Zuid-Holland, -ze noemen zich CONSEPT- en het ziet er prachtig uit. Consept verdeelt het Groene Hart in zes landschapstypen om, zoals er staat: de kwaliteit van het veenweidenlandschap duurzaam vast te leggen. Want: -ik citeer- “De kwetsbare veenweiden zijn ‘het hart van het Groene Hart’. Zonder deze veenlandschappen verliest het Groene Hart zijn vitaliteit en kenmerkende eigenschappen die het zijn internationale allure geven.”  Dat is klare taal. Een kaart toont de verdeling van de zes typen landschappen: cultuur- en weidevogelland, weidevogellandschappen, natte landschappen, natte natuur, parklandschappen en droogmakerijen. Het lijkt heel wat, maar als je goed leest vind je nogal wat ongerijmdheden.

Consept richt zich in het begin vooral op het veenweidenland. Het lijkt er zelfs op dat  het Groene Hart alleen  maar uit veenweidenlandschap zou bestaan. Dat is natuurlijk niet zo.  Om de discussie op gang te brengen  hebben ze alvast de invulling van drie van de zes landschapstypen geschetst: een stuk cultuurhistorie met weidevogels, een gedeelte met natte natuur en een plan voor uitgestrekte parklandschappen. Op dit punt aangekomen laten ze de voorkeur voor veenweiden meteen al los, want in natte natuur heb je geen weiden en in parklandschappen hoogstens speelweiden.

In het cultuur-met-weidevogels ontwerp, schrijven ze,  neemt de veenweidenboer een onmisbare plaats in. “Het verdwijnen van de melkveehouder uit het veenweidegebied is net zo’n grote bedreiging als het andere uiterste: agro-industrialisatie.”  Maar op de volgende pagina wordt ondubbelzinnig gesteld dat de economische vitaliteit van de melkveehouderij in de veengebieden laag is met sombere toekomstperspectieven. Dat gelezen hebbend begrijp je de indeling in zes landschappen ineens veel beter: Hooguit 10% is ingetekend als cultuurland (met weidevogels). Veel grotere stukken zijn bedoeld als natte landschappen of natte natuur. Tot mijn verbijstering spreekt men bij natte landschappen onbekommerd over natte landbouw met streekproducten en waterberging. Dat noem ik een gotspe. In natte landschappen is echt geen koe te zien, hoogstens zwemmend;  er groeit geen voedzaam gewas, de bodem verarmt en ik ben benieuwd aan welke streekproducten men denkt. Turf soms?  

De kaart is samengesteld op basis van een grondige analyse van huidige- en toekomstige natuur- en landschapswaarden in het plangebied. Men baseert zich, lees ik, op beleidslijnen over bouwlokaties, infrastructuur, transformatiezones, waterbergingsgebieden, recreatieontwikkelingsgebieden en lokaties voor nieuwe natuur. Maar over beleidslijnen op agrarisch gebied lees ik niks.  Men  realiseert zich kennelijk niet dat de sombere toekomst die de melkveehouderij wordt toegedicht, betekent dat het ‘unieke agrarische cultuurlandschap met internationale allure’ onherroepelijk zal verdwijnen. Hun hele schets voor cultuurhistorie met weidevogels en koeien stort dan als een kaartenhuis in elkaar. Geen melkboeren, dan ook geen koeien. Geen koeien, geen weiden. Geen weiden, geen weidevogels, geen cultuurlandschap, wel vernatting.  

De stelling dat de melkveehouderij geen toekomst heeft in het gebied gaat geheel voorbij aan de revolutionaire ontwikkelingen die in boerenland gaande zijn. Steeds meer boeren produceren kleinschalig en duurzaam melk, vlees èn landschap. Steeds meer boeren zien natuur- en landschapsbeheer als een geïntegreerd onderdeel van hun bedrijfsvoering. Steeds meer boeren hebben een steeds hogere benutting van mineralen, steeds meer boeren ervaren dat duurzaam ook rendabel kan zijn. Voorbeelden te over. De premisse van de natuurorganisaties dat het afgelopen is met melkboeren in de veenweiden lijkt realistisch, maar is naar mijn mening fatalistisch en kortzichtig. Als het ze ernst is, zouden ze zich meer moeten inzetten om jongens en meisjes die er nog zin in hebben, over de streep te trekken om boer te blijven. Als grootgrondbezitters hebben ze veel invloed op overheden, politici en het landbouwonderwijs. Die invloed  aanwenden is puur eigenbelang. Of zijn al die woorden over onmisbare boeren een zoethoudertje?  Als we niet slim en creatief zijn, zijn er over  een paar jaar geen boeren meer. Dat is onherstelbaar verlies. Ook voor de natuur.  

De brochure van de natuurorganisaties dient als uitgangspunt voor discussie: Een open dialoog, schrijven ze. Ik ben maar vast begonnen.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Ouwe Koeien
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 2, 16 april 2005

Het was feest op de boerderij van Spruit. Triple werd 20 en Blije Bontje van 14 had 10.000 kilo vet en eiwit gegeven. Welke boer laat nou een koe twintig jaar worden als ze allang geen melk meer geeft? Spruit dus. Triple heeft meer dan 125000 liter melk gegeven, is nu met pensioen en scharrelt wat rond. Beide feestvarkens kregen een ereplaats temidden van de feestgangers in een geïmproviseerde potstal begrensd door balen hooi.

De Hooggeleerde Feestspreker stond op zo’n hooibaal en werd door Triple zowat omver geduwd. “Je staat op mijn eten!” leek ze te willen zeggen.

Meestal worden koeien niet zo oud. Uitgemolken? Weg met die koe. Natuurlijk mogen op dit bedrijf ook niet alle koeien met pensioen, maar ze gaan wel langer mee dan op sommige andere bedrijven, die er trots op zijn dat ze zoveel mogelijk liters per jaar uit een koe trekken. Maar is zo veel mogelijk ook altijd het meest rendabel? Boeren beginnen daar zoetjes aan genuanceerd over te denken.

De Hooggeleerde Feestspreker prees dit bedrijf om zijn hoge graad van kringloopdichtheid, als ik het zo mag samenvatten. Weinig mineralenverlies, hoog eiwitgehalte en laag ureumgehalte in de melk, slootkanten met bijzondere planten en beestjes en dan ook nog een goed rendement. Dat kan dus kennelijk wel. Het is het resultaat van een bedrijfsvoering die traditioneel is èn vernieuwend. Een soort van melkveehouderij die gebaseerd is op vroeger en de weg kan wijzen naar de toekomst.  

Nog een voorbeeld. Het biologische bedrijf van Koos en Monique van der Laan. Een bloeiend bedrijf. Monique onthulde in haar column in Rijn en Gouwe dat zij maar 160.000 liter melk per jaar produceren (quotum). Dat is veel minder dan wat voor een familiebedrijf  als minimum wordt beschouwd. Ze legt het uit: 5.500 liter per koe per jaar, koeien zijn gezonder, gaan langer mee. Lagere kosten, minder veeartsen, minder duur krachtvoer, meer eigen gras, hoog eiwitgehalte èn extra melkopbrengst vanwege biologisch boeren. Ze verkopen eigen kalfsvlees.  Ze verdienen nog wat extra omdat ze een vergaderruimte exploiteren en excursies geven, dus Koos en Monique hebben geen klagen. Een heel ander bedrijf dan Spruit, maar beide vitaal en met toekomst.  

Intussen verschijnt er een Wagenings rapport getiteld: VEENSPRONG. “We moeten creatief durven denken. We willen frisse, nieuwe ideeën” staat er. Dus Veensprong suggereert drie modellen voor  het Westelijk Veenweidegebied van de Randstad. 1: Grootschalige boerderijen van 1500 ha waar 4 boeren op boeren. 2: Een soort klein Toscane of “Slow region”, dwz een nationaal belevingslandschap met boerderijen als de twee die ik hierboven beschreef en 3: een moerasachtig gebied zonder boeren, maar met hoge natuurwaarde. “Everglades in de polder”.

De samenstellers spreken nadrukkelijk geen voorkeur uit. Temeer omdat de modellen nog moeten worden doorgerekend. “De alternatieven zijn bedoeld als inspiratie” schrijven ze.

Toch koppen twee kranten die het rapport bespreken: “Veehouderij Groene Hart moet grootschalig”. Waarom doen die kranten dat? Dat staat er niet en het is misplaatste stemmingmakerij. Grootschalig? Hier?  Laten we als bewoners van de Randstad eens creatief durven denken over wat het voor ons betekent als die kleine, gezonde, innovatieve en traditionele bedrijven uit onze achtertuin verdwijnen. Lang leve de ouwe koeien.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Vitaal Platteland?

Deze column verscheen eerder in “Platteland”, het magazine van Vrienden van het Platteland, voorjaar 2005. 

In Vrij Nederland stond een artikel over twee boeren in de Ronde Hoep. Dat is een gebied in de buurt van Ouderkerk aan de Amstel. De ene, Siem Bouwman is 74, heeft zo’n twintig jaar geleden zijn land verkocht aan wat hij noemt ‘de jongens en meisjes van natuurbeheer’ en is een manege begonnen. Stralend poseert hij met zijn dochter en een mooie merrie voor zijn bloeiende bedrijf.  De koeienstal is omgebouwd tot pension voor ruim dertig paarden. “Daar kun je niet tegenop melken” zegt Bouwman geheel naar waarheid.

De andere boer, Gerard Timmer, is dertig jaar jonger en heeft tonnen geïnvesteerd in een nieuwe koeienstal, meer land, melkquotum en mestrechten. Hij en zijn vrouw Margreth geloven nog in een toekomst als melkboer. Ze houden wel hun twijfels, maar Gerard komt fluitend uit de melkput.

Beide bedrijven kunnen met recht vitale bedrijven worden genoemd. Mijn vraag is wel: welk bedrijf draagt het meeste bij aan een vitaal platteland?  

De Nota Ruimte van de Minister van VROM noemt een open ruimte waar veel geld verdiend kan worden Vitaal. Wonen en werken is het uitgangspunt en daarnaast moet er nog genoeg  rust en ruimte overblijven voor de hardwerkende bevolking.

De Agenda Vitaal Platteland Van het Ministerie van LNV lijkt zich meer zorgen te maken over de vitaliteit van nu juist die broodnodige rust en ruimte.

Het woord ‘vitaliteit’ is geduldig en klinkt sympathiek, wie wil er niet vitaal zijn? Maar de Nota Ruimte jaagt in zijn streven naar vitaliteit de boeren weg en bewondert de vitaliteit van de Bouwmannen, de bedrijventerreinen, de rokende schoorstenen. De Agenda Vitaal Platteland houdt ons voor dat continuïteit van een vitale melkveehouderij voorwaarde is voor de continuïteit van een vitaal platteland. 

Wij beginnen steeds meer in te zien dat als je dat mooie, unieke cultuurlandschap wilt behouden, we het niet alleen moeten hebben van natte natuurreservaten zoals bedoeld in de Ecologische Hoofd Structuur. Zonder boeren geen koeien , zonder koeien geen open landschap, zonder koeien  ook geen voedselproductie om trots op te zijn, zonder vitale melkveehouderij geen behoorlijk natuurbeheer. Boerennatuur is ook natuur. Niet overal, maar wel steeds vaker en spannender. En boerennatuur, geloof dat nou maar,  is in het Groene Hart de beste garantie voor continuïteit van het landschap.  

Maar de liefde van diezelfde boer gaat wel door de maag en zonder goed geld gaat het niet.

De boer moet daarvoor een steuntje in de rug. Van de politiek en ook van ons. Van de Vrienden van het Platteland. U bent niet alleen vriend, U bent ook medeplichtig. Begrijp me goed, dat betekent niet dat U medeschuldig bent, maar U bent wel medeverantwoordelijk. Koop streekproducten. Laten we ons inzetten voor verbrede landbouw in het Groene Hart. Daar bedoel ik mee: een melkveehouderij, die zijn basisinkomen verwerft uit de productie van melk en vlees, tegelijkertijd  een goede boterham verdient aan landschapsbeheer en daarnaast, voor wie dat kan en wil, ook aan activiteiten in de sfeer van toerisme.  

De Wageningse hoogleraar Lijbert Brussaard  besloot vorig jaar zijn reactie op de Victor Westhoff lezing door Dr Andre van der Zande, Directeur generaal van het Ministerie van LNV als volgt: “Er ligt een geweldige kans (voor natuurorganisaties) als ze zich actiever richten op het behoud en de uitbreiding van dat deel van de boerenstand, dat zijn toekomst zoekt in de verbrede landbouw.” (…)  “Want zolang wij als samenleving de economische levensvatbaarheid van de grondgebonden landbouw in de hand hebben, (…) ben ik niet bereid om ten behoeve van mijn emoties als natuurliefhebber, de boeren afscheid te laten nemen van hun liefde tot het land.”

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Boeren, natuur en boerennatuur
Deze column verscheen eerder in GROENE HART VISIE, het kwartaalmagazine van de Groene Hart Stichting, voorjaar 2005.

Ik vraag me wel eens af of de tegenstelling die er bestaat tussen Ecologische Hoofd Structuur (EHS) en boerenland terecht is. Neem nou  de Meije graslanden. Dat is een gebied van boerenland, sloten, rietlanden en bosjes tussen de Meije en de Nieuwkoopse plassen. Bij de vaststelling van het Plan de Venen zijn deze Meije graslanden voorbestemd om binnen de EHS te vallen. Daarmee zijn ze onttrokken aan de agrarische bestemming. Elke boer die daar stopt kan zijn land verkopen aan de overheid en Natuurmonumenten neemt het beheer over. Op dit moment zitten er nog heel wat boeren en zolang die niet allemaal weg zijn, kan het voornemen van Natuurmonumenten om het hele gebied als natuur te ontwikkelen nog niet verwezenlijkt worden.

Even precies zijn:  het achterste deel ligt tegen de water- en rietlanden van de Nieuwkoopse plassen aan. Vogelbroedgebieden, purperreigerkolonies, plas-dras, rietland, kortom een belangrijk en bijzonder ecologisch gebied met wat men noemt kwetsbare flora en fauna.

Maar aan de voorkant is de bewoonde wereld. Daar staan de boerderijen, daar rijden, lopen en varen  de toeristen, daar is het aloude cultuurlandschap nog volop aanwezig. Kan dat dan niet zo blijven, ook al ligt het binnen de EHS?  Vooralsnog vindt de terreinbeheerder (Natuurmonumenten) wel dat de weilanden open moeten blijven, dus gemaaid en/of beweid, maar een duidelijk beleid is daar niet over. Valt ook niet mee zolang die boeren, die niet weg willen, daar nog tussen zitten.

Maar er lijkt onlangs een belangrijk besluit te zijn genomen. Boeren kunnen nu via de agrarische natuurverenigingen voor vijf jaar een paar hectares pachten. Boeren blij. Voor weinig geld  vergroten ze de oppervlakte van hun  land ter wille van de berekening van Groot Vee Eenheden en mestrechten. En ze kunnen een centje bijverdienen  met weidevogel- en slootkantenbeheer.  Terreinbeheerder ook blij, want het land wordt op een nette manier beheerd. Maar De Terreinbeheerder staat niet toe dat zich een jonge boer vestigt in de Meijegraslanden. Waarom niet? Dan zit je aan zo’n bedrijf langdurig vast en EHS is per slot geen boerenland. En hier wordt naar mijn gevoel een gouden kans gemist tot schade van de continuïteit van het landschap, van de ecologie en  de economie. Oogkleppenpolitiek noem ik dat. Verkokerd en kortzichtig denken.

Wat is die gouden kans dan?  Er zijn problemen met bedrijfsopvolging. Dat is bekend. Grond is duur. Melk goedkoop. Europese concurrentie fataal. Toekomstperspectief is hier twijfelachtig, zeker als je je schaal wilt vergroten en mee wil groeien in de vaart der volkeren.

Maar er zijn ook jongens en meisjes die daar anders over denken. Die niets liever willen dan doorgaan waar opa en oma en generaties daarvoor ook boerden. Die niet snel rijk willen worden, maar wel hun liefde voor het land en het melkveebedrijf willen kunnen verzilveren.

Dat soort wil niets liever dan boeren op een innoverende, traditionele manier. Dat klinkt tegenstrijdig, maar het is precies waar het om gaat: Vernieuwen naar vroeger. Een ouderwetse manier van omgaan met bodem, planten en dieren, met sloten, slootkanten en geriefbosjes. Het kan. Het is meer dan een droom. De mogelijkheden worden steeds concreter. Een sobere koe, een uitgebalanceerd voerpatroon, ruige mest, bagger uit schone sloten, gedifferentieerd maai- en weidebeleid,  gevoelig waterpeilbeleid,   -dat heet sinds kort  “boerenverstandpeil”-, potstallen voor kalveren. De elementen voor een natuurboerderij zijn talrijk. Wat levert het op? Een kwaliteitsproduct aan melk en vlees èn een kwaliteitslandschap met een rijke flora en fauna. Geen nieuwe natuur, maar voortzetting van oud cultuurlandschap met een hoge natuurwaarde. En dat alles zou gerealiseerd kunnen worden binnen de EHS. Daar hóórt zo’n nieuwe, ouderwetse boerderij ook en achter in dat land krijg je dan uitbreiding van  reservaten en broedgebieden. Zoiets heet in het jargon een win-win situatie voor de lange termijn. 

Als we niet verder gaan dan het verpachten voor 5 jaar aan boeren die nu nog elders zitten, ben je in 10 jaar door je pachters heen en zeg dan maar dag met je handje tegen het bestaande landschap. Dan komt er dus geen boerenland binnen de EHS. Dan krijgen we daar Nieuwe Natuur met een hoog waterpeil. Zoals afgesproken.  Hopelijk met een rijke flora en fauna, maar geen open cultuurlandschap En denk maar niet dat je op die manier het inklinken van het veen kunt voorkomen. 

Oproep aan beleidsmakers en terreinbeheerders: Laten we niet star vast houden aan eerder ingenomen standpunten, maar laten we een beetje creatief denken met een langere termijn in het hoofd dan een jaar of vijf.  Zoiets zou je een Groene Hart Visie kunnen noemen.

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


De Regenworm
Dit artikel verscheen eerder in 'Gras & Wolken', juli 2004

Vorig jaar zeilde ik op het IJsselmeer. Op een Volendammer kwak. Dat is een ouwe eiken vissersboot. Overgebleven van de voormalige Zuiderzeevloot. Tijdens die zeiltocht, waarbij we verschillende havens aandeden, realiseerde ik me wat de gevolgen zijn geweest van de aanleg van de Afsluitdijk. Die zegenrijke Afsluitdijk, die Friesland ontsloot, het zoute water buiten de landsgrenzen hield, 0veranderde de Zuiderzee in een binnenmeer en daarmee ging een wereld van eeuwenoude cultuur verloren. De hele kust vanaf Wieringen, langs Enkhuizen, Volendam via Spakenburg tot in Friesland toe was in één klap zijn bestaansrecht kwijt: de zeevisserij. En met de zeevisserij verdween aanvankelijk ook handel en nijverheid die van de visserij zijn afgeleid. Scheepsbouw, touwslagerij, noem maar op.

De basis onder het bestaan was weg. Overlevingsdrang leidde tot nieuwe activiteiten, andere bronnen van inkomsten, waarvan vele echter met een museaal of recreatief karakter. De kracht van de afzonderlijke dorpsgemeenschappen leidde wel tot behoud van karakteristieke eigenschappen zoals architectuur, klederdrachten en folklore. Maar één verschijnsel was onheilspellend en niet te keren: de jeugd trok weg. En daarmee veel vitaliteit en energie.

Nooit meer honger
Zo’n tien jaar en meer geleden stonden boeren te boek als viespeuken.
Logisch. De boer was het product van de naoorlogse ratrace naar steeds meer produceren voor steeds minder geld. Schaalvergroting, ligboxenstallen, gierkelders en melkputten, vette leningen van de boerenleenbank, en vooral: steeds meer kunstmest. Het naoorlogse motto was: nooit meer honger. Het Plan Mansholt was in de jaren vijftig een briljante revolutie tot heil van boer en voedselproductie. En inderdaad, de boer werd er beter van en vervolgens ontstond een melkplas en een boterberg van heb ik jou daar. Dus kwamen er melkquota, superheffingen en tenslotte spijtbetuigingen van de oude Mansholt zelf.

Maar inmiddels was de boer de vijand van de natuur geworden en natuurorganisaties de vijand van de boer. Benutting van mineralen, voor de oorlog nog ruim boven de 50%, waren door overvloedig kunstmestgebruik en korte-termijn-denken dramatisch teruggelopen tot minder dan 15%. En al die niet benutte mineralen kwamen in het milieu terecht. De oplossing kwam zo’n 13 jaar geleden en was briljant: De Ecologische Hoofdstructuur! Waar natuur is kan je geen huizen en bedrijven bouwen.

Groen waas
De term Nieuwe Natuur werd het toverwoord van de jaren 90.
Briljant, in meerdere opzichten. Meer natuur, minder boeren, dus minder vervuiling. Net zo makkelijk. Nu zeggen we: we hadden jarenlang een groen waas voor de ogen. De ontmoedigende, steeds strengere regelgeving heeft veel boeren ertoe gebracht om hun kinderen af te raden om door te ploeteren als koeienboer in kikkerland. Boeren kan je beter in Denemarken, echt ondernemen kan je beter in een ander vak. De vergelijking met de Zuiderzeehavens na de Afsluitdijk dringt zich op.

Nieuwe landbouw en oude natuur
Het Veenweidegebied in het Groene Hart is uniek in de wereld.
Om zijn maat, zijn verkaveling, zijn waterrijkdom, zijn cultuurhistorie. Dat gebied is echt niet te redden met nieuwe natuur. Niet met actieve of passieve vernatting. Dit gebied is alleen te redden als er boeren blijven die koeien hebben en daar hun brood mee verdienen. Dit verhaal zal gaan over een ouderwetse manier van boeren met moderne middelen. Over Nieuwe Landbouw met het boerenverstand van vele generaties. En over Oude Natuur. Dit verhaal gaat over de regenworm. Drie jaar geleden viel het nog op als je suggereerde dat de boer van oudsher de beste beheerder is van het landschap en de ziel van het platteland. Nu al is dat ouwe koek. De boer krijgt eerherstel. Hij mag weer een beetje trots zijn op zijn zegenrijke arbeid. Wederzijds wantrouwen tussen natuurbeheerders en boeren neemt af. En terecht. Want niet alleen vindt bij natuurorganisaties voorzichtig een omslag in het denken plaats, in boerenland zijn spectaculaire ontwikkelingen gaande. Maar hoe hou je een volgende generatie hier. Een rare vraag: hoe komt een jonge melkboer vandaag de dag aan een goed belegde boterham?

Dom en kortzichtig
Als de omstandigheden in het veen
midden in de drukbevolkte Randstad zo zijn dat de kostprijs van melk hoger ligt dan elders, dan moet je niet willen concurreren op de wereldmarkt, maar dan moet je ook niet het produceren van melk degraderen tot nevenactiviteit, want dan ben je binnen één generatie al je boeren kwijt. Het is dom en kortzichtig om dan maar te concluderen dat voedselproductie hier niet nodig is. Het is dom en kortzichtig om te stellen dat die dure, schaarse grond efficiënter kan worden gebruikt. Het is vooral dom en kortzichtig om voor je voedselvoorziening geheel afhankelijk te worden van het buitenland. Het is slecht voor het milieu en het getuigt van weinig historisch besef. De regenworm kan de sleutel zijn voor een ecologisch èn economisch duurzaam landelijk gebied. De regenworm kan de weg wijzen naar een betere economische positie van de melkveehouderij. En tegelijk naar een rijke boerennatuur met een flora en fauna waar ze bij Natuurmonumenten U tegen zeggen. Dat is nogal wat voor een wormpje.

Goud werd afval
Eigenlijk is het in de melkveehouderij
misgegaan met de komst van ligboxenstallen en gierkelders. Vroeger had je grupstallen en potstallen en dus ruige stromest. Dat was het goud van de boer. Verteerde, ruige stromest en bagger: samen zorgden ze voor mooi, voedzaam gras en voor langdurig vruchtbaar land. Drijfmest bestond niet en het woord mestoverschot was nog niet uitgevonden. De ligboxenstallen waren een zegen voor boer en koe. Net als destijds de Dijk. De gierkelders gaven ook een boel gemak. Maar het fenomeen drijfmest bleek een levensgroot probleem op te leveren. Mest werd vooral een afvalproduct. En de vraag werd: Hoe kom ik van die stinkende, ammoniakrijke, vervuilende, giftige rommel af? Ammoniak dampen stinken een uur in de wind en maar weinig stikstof uit drijfmest wordt opgenomen door de bodem. Kunstmest was het wondermiddel. Snel werkend en makkelijk. Want het gras groeide als kool en we wilden meer melk per koe. Maar de grond verarmde en werd uitgeput. Samengevat: door de ligboxenstallen hadden we ineens een mestprobleem en een groeiend milieuprobleem. Het goud dat het voedsel voor de planten was, was afvalproduct geworden.

Injecteren?
We kregen de MINAS. Door velen verguisd,
de controle leek nergens op maar dat voortdurende meten: wat komt erin aan mineralen en wat gaat eruit, hield de boeren wel scherp. Nu minas weer is afgeschaft en er een buitengewoon botte Europese mestwetgeving voor in de plaats komt, is er al heimwee naar de tijd dat er nog –zoals ik las- die elegante regelgeving was die minas heette. Een melkveehouder: "Bij minas kon ik mijn vakmanschap laten zien, bij de aanvoernormen kan dat niet meer." Een ding is zeker: de laatste jaren werd de mineralenhuishouding efficiënter en het milieu minder belast. Toch is één aspect stelselmatig onderbelicht gebleven: de vitaliteit van het bodemleven. Dikke vette regenwormen spelen daarin een belangrijke rol. Zodebemesting, in de wandeling de injectiemethode genoemd, en verplicht gesteld in 1994, is het schrijnendste voorbeeld. Het lijkt logisch: als je drijfmest meteen in de grond brengt, krijg je minder stank, minder ammoniak in de lucht. Maar wat er in die bodem onder de grond wordt aangericht, waar stinkende gier in een zuurstofarm milieu gaat rotten in plaats van rijpen, daar hebben we ons nooit zo mee bezig gehouden. Je kunt het wèl zien. Als er geïnjecteerd wordt barst het achter de machine van de meeuwen. Want de wormen stikken de moord en vluchten in doodsnood naar boven. Smakelijke meeuwenhapjes.

Goede mest stinkt niet
Ondanks dikke rapporten dat mestinjectie
lang niet de beoogde 80% reductie van ammoniakemissie heeft opgeleverd, is de methode tien jaar later nog steeds verplicht. Tot schade van de wormenpopulatie. Maar zomaar een beetje bovengronds uitrijden deugt natuurlijk ook niet. Dat kan alleen als de mest deugt. Verbetering van de mest, daar gaat het om. En dat kan alleen in een bedrijfsvoering die daar helemaal op is ingericht: Dat begint met structuurrijk en eiwitarmer voer. Daardoor wordt de verhouding tussen koolstof en stikstof in de mest –de C/N verhouding- gunstiger. De mest bevat dan minder vluchtige ammoniak, (goede mest stinkt niet !) regenwormen vinden dat prettig, vermenigvuldigen zich, de bodem krijgt een betere mineralenhuishouding. De bovenste laag wordt luchtiger en veerkrachtig. Het gras groeit beter en is voedzamer. Daardoor is minder kunstmest en hardvoer nodig. Wat blijkt? Het ureumgetal in de melk wordt lager. Bij sommige boeren zelfs onder de 20. Dat is spectaculair laag! Ook de zuurgraad van de mest is belangrijk om vervluchtiging van ammoniakgas te verminderen. Het voerspoor wijst de weg. De koeien blijken baat te hebben bij een eiwit arm, zuurder en structuurrijker rantsoen. Ze voelen zich lekkerder, gaan langer mee. Geven wat minder liters melk, maar met hoger eiwitgehalte en dus een beter rendement. In twee opzichten: Zowel economisch als ecologisch. Het lijkt te simpel om waar te zijn. Schoon boeren blijkt rendabel. Dat was ook de kop boven een Volkskrantartikel na afloop van het Vel & Vanla project in Friesland.

Bovengronds mag niet
Een gezond bodemleven,
waar een hoge benutting is van mineralen (vooral stikstofverbindingen) is essentieel. Dus zijn er boeren die hun bodemleven niet willen aantasten door middel van zodebemesting. Die de mest willen brengen waar die hoort: fijn verdeeld op het gras en niet er tussen of eronder. Zij kiezen daarom voor bovengronds uitrijden. Maar dat mag dus niet. Toch zijn er steeds meer boeren die het doen. Ze steken hun nek uit omdat ze zeker weten dat ze het goed doen en nog beter kunnen. Ze willen een dikke, stevige zode en het leven in de bodem is hun bondgenoot. Ze willen niet met zware machines de slappe veenbodem samenpersen. Het zijn boeren die bezig zijn met een gezond bodem-plant-dier systeem. Heilzaam voor het bedrijf en een zegen voor libellen, dotters, grutto’s en kieviten. Deze boeren worden ten onrechte gecriminaliseerd. Maar ze rijden met recht en reden bovengronds drijfmest uit van goede kwaliteit. Ze wijzen de weg naar een gezonde melkveehouderij. Deze boeren krijgen steeds meer van de wetenschap het gelijk aan hun kant. En misschien binnenkort ook van de politiek. Het wordt tijd.

Tweede tak wordt eerste tak
In de discussies over het Groene Hart
speelt efficiënter en gezonder boeren zelden een rol. De boodschap is altijd maar weer: groene diensten en tweede takken en ondertussen zijn er steeds minder jongens en meisjes die durven beginnen aan een éérste tak. Maar een boer die slecht boert met melk, en beter boert met bed and breakfast of kanoverhuur, is gauw klaar met boeren. Zijn tweede tak wordt zijn eerste. Inkomensverbetering via groene diensten zijn schijnoplossingen als het primaire inkomen van de boer er niet structureel op vooruit gaat. En van agrotoerisme wordt het landschap bepaald niet mooier en de natuur echt niet rijker.

Tot slot
Verbetering van inkomen uit de eerste
tak. Daar gaat het om. Dat is niet makkelijk, maar het kan. Er is steeds meer belangstelling voor boerenproducten. Zes miljoen randstadbewoners krijgen meer belangstelling voor de kwaliteit van hun eten. Vers en lekker zijn belangrijke criteria aan het worden. Slow food is de reactie op fastfood. En over de veiligheid van levensmiddelen uit verre landen is het laatste woord nog niet gezegd. Steeds meer restaurants willen mooie, eerlijke, hoogkwalitatieve ingrediënten verwerken. Supermarkten verkopen al geen legbatterij eieren meer. Wij willen ze kennelijk niet. De macht van de consument. Die macht kunnen we meer mobiliseren, denk ik. In de Randstad zijn inmiddels zo’n 18 Groene Hart Landwinkels. De groei en bloei van die boerderijwinkels is een belangrijk signaal. Boeren verzinnen nieuwe lekkernijen. Roodschimmelkaas Petit Doruvael komt uit Montfoort. Blauwe Klaver, een zachte blauwschimmelkaas, uit Harmelen. In Snelrewaard maken ze geitenkaas. In Zegveld verkopen ze prachtig, smakelijk roze kalfsvlees en schapenkaas is de nieuwste aanwinst in de Meije. En vergeet die gezellige wekelijkse streekmarkt in Woerden niet. Streekproducten geven een gebied kracht en identiteit. Luilekkerland ligt in je achtertuin. Zonder boeren die boeren wordt het niks. Het landschap is de bonus. Gedenk de regenworm. Het is een bedreigde diersoort, net als de boer.

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Niet genoeg
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 4, 2004  

Het is niet genoeg om te zeggen dat boeren de beste beheerders zijn van het landschap. Dat boeren de enigen zijn die het aloude cultuurlandschap kunnen redden en dat Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer zich geen raad zullen weten met het beheren van de aan hun toevertrouwde terreinen als er straks geen boeren meer zijn.

Het is niet genoeg om  te praten over groene en blauwe diensten, verbreding, vertakking, agrotoerisme en zorgboerderijen. Het slaat allemaal nergens op als de zogenaamde realisten gelijk krijgen.

Je vindt de realisten in de politiek, je vindt ze  onder gewone mensen en je vindt ze zelfs onder boeren.

Ze  zeggen: wees reëel. De uittocht van boeren is niet tegen te houden. Ze kunnen in dit overvolle zompige land niet concurreren, ze kunnen beter 500 km verderop gaan boeren. Wij hebben het niet nodig dat uitgerekend hier voedsel wordt geproduceerd. Er is eten zat op de wereld en transportmogelijkheden te over. Hou op met dat nostalgische gedoe en zorg dat je tijdig en verstandig aan landinrichting doet om verrommeling te voorkomen. Het lijken realisten. Ik noem ze fatalisten.  

Het is waar: wij hoeven geen honger te hebben als er in het veenweidegebied van de randstad geen voedsel meer wordt geproduceerd, de supermarkten zullen geen lege schappen hebben.  Maar is het ook waar dat voedsel dat van  ver komt en op grootschalige bedrijven is geproduceerd, altijd goedkoper zal zijn dan voedsel uit de regio? Is dat nog zo als de energie steeds duurder wordt?

Dat controle op de teelt van voedsel van ver weg net zo goed zou zijn als controle op voedsel uit onze omgeving is een illusie. Dat dichtbij en kleinschalig verbouwd voedsel per definitie duurder is, is een vooroordeel. Dat levend vlees niet meer door half Europa zou moeten worden versleept  begint zo langzamerhand door te dringen, maar dat dat ook voor dood vlees geldt, daarvan is nog niet iedereen doordrongen. Dat zogenaamd vers vlees tijdenlang ingevroren is geweest…Dat stunten met melk over de ruggen gaat van de Nederlandse boer … Dat kippenvlees soms volgepompt zit met water en dáárom goedkoop is…

Maar, zal menigeen zeggen: de consument is toch de baas en toen die geen legbatterij eieren meer wou, verkocht de grootgrutter ze niet meer. Ja, daar bleek de consument ineens macht te hebben . Maar het is niet genoeg.  

Een goede politicus ziet in dat het niet genoeg is om te pleiten voor beter inkomen van een boerenstand die op het punt staat gedecimeerd te worden. Een goede politicus zet zich in voor de volgende generatie boeren. Want die is er. Nou en of. Ondanks de cijfers over boeren die het zinkende schip verlaten. Er zijn nog steeds jongens en meisjes die niets liever willen dan het bedrijf van hun voorouders voortzetten. Maar er zijn veel boeren die dat hun puberkinderen afraden. En zo krijgen de fatalisten gelijk als de politiek niet snel wakker wordt.  

Er is een mooi boekje verschenen met de veelbetekenende titel: “Boerendiversiteit voor Biodiversiteit” *) waarin de biologische rijkdom wordt getoond van een ouderwetse en toch vernieuwende manier van boeren. Daarin  ontvouwt een boerenzoon een plan voor een natuurboerderij in het veenweidegebied. In dat soort creativiteit liggen de beste kansen. Wakker worden dames en heren! Je hebt onder boeren goeie en slechte, net als onder politici en andere mensen.  Koester de goeie en geef ze genoeg reden om het nog een generatie aan te durven.  

Bram van der Vlugt

*) E.J. Weeda: Boerendiversiteit voor biodiversiteit, Alterra rapport 973, Wageningen 2004

terug naar boven ^


De berg
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 3, 6 juni 2004

Vraag een oude boer naar de hooibouw en hij krijgt meteen glimmertjes in zijn ogen. Tegenwoordig is er niet veel hooibouw meer. Gras wordt gekuild. Dat is makkelijker en minder afhankelijk van het weer. En àls er nog gehooid wordt dan wordt het geperst. Maar los hooi bouwen in de berg, dat was nog es wat. Dat was spannend,  risico’s nemen,  hard werken, alle hens aan dek. “Je keek naar de lucht,  naar de wolken, naar de vogels. Wat gaan we doen, want eraf is eraf.”  Als het weer je een streek leverde dan had je problemen met de wintervoorraad, maar als het lukte, was je spekkoper.  Een mooie volle berg met geurig hooi ‘waar de zon nog in zat’ was een rijk bezit. De hooibouw zat vol logica en tradities die gestoeld waren op gezond verstand. Om te beginnen al de plaats van de berg. Vlak bij de plek waar  gevoerd moest worden: achter de stal. Niet op de wind, maar wel zo dat de wind er door kon. In de berg was tegen optrekkend vocht een vloer gelegd van takken uit het geriefbosje.

Het hooi werd opgestoken. Dat ging trapsgewijs. Een zweterig karwei. Hoe hoger hoe zwaarder. De zijkanten werden later met de hand geplukt. Tegen verwaaien en inregenen. Het was natuurlijk ook een knap gezicht.“Dan was ie zo strak als een pas  geschoren schaap”.

 Maar dan: hoe kreeg je ’s winters je kostelijke voer weer beneden? Boven in de volle berg aan de stalkant groef de boer een rond gat. Het haaggat.  Hij stak het hooi af met de graaf. De hooigraaf. Een smeedijzeren spa met aangelaste voetsteun. Zo groef de boer zich naar onderen. Maar niet helemaal. Op ooghoogte boog hij af naar buiten. Een precies en verantwoordelijk werkje.  Het afgestoken hooi moest weer omhoog het gat uit. Bovenop stond de man met de haak. De hooihaak. Met die haak trok hij het uitgegraven hooi omhoog.

Wie weet nog wat een graaf is of een hooihaak? Op veel oude boerderijen zijn ze er nog, want een boer doet nooit wat weg. Pas als er boelhuis is, komen de spulletjes te koop en dat is een treurige aangelegenheid. Al lijkt een boelhuis vaak op een kermis.  

We kregen van Jan een mooie oude graaf. En we hebben ook nog een heeft. Die hoort bij onze zeshoekige, met riet gedekte hooiberg. Het is een houten  lier  om de kap van de berg omhoog en omlaag te krijgen. De berg heeft verticale roeden en horizontale lanen waar de kap op rust. Heeft komt van heffen. Dus de heeft heft vlak naast een roede de laan een stukje op en dan kan de pen een gaatje hoger in de roede. En zo ga je de hele berg om. Roede voor roede, gaatje voor gaatje.  “Ach ach ach,” verzuchtte de oude boer, “wat heb ik hier toch gezweten” en tegelijk kreeg hij ook weer de glimmertjes in zijn ogen.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Tureluurs
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr  2. april 2004

“Daar word ik nou helemaal tureluurs van,” zei mijn zoon toen hij in de krant las dat nieuw onderzoek heeft aangetoond dat agrarisch natuurbeheer niet leidt tot meer weidevogels. Nou ja, nieuw onderzoek: drie jaar geleden publiceerde de Wageningse hoogleraar Frank Berendse de resultaten van een onderzoek waaruit bleek dat agrarisch natuurbeheer zinloos was. Hij kreeg toen weinig handen op elkaar voor zijn verhaal. Dus heeft hij nu nieuw onderzoek gedaan en ja hoor: de uitkomsten zijn dezelfde. Het beschermen van weidevogels door boeren kost alleen maar geld en levert niks op. Wat doen die boeren? Ze maaien later om gruttonesten te ontzien, maar dat is nou juist nadelig voor kieviten en tureluurs want die houden van kort gras. “Die willen graag om zich heen kijken”, zegt Berendse. En de gruttostand wordt ook niet beter. Dus: agrarisch natuurbeheer is weggegooid geld.

Het zou goed zijn als ook Frank Berendse wat beter om zich heen keek. Hij vertelt maar de helft van het verhaal.

Dat kieviten van kort gras houden, dat is waar. En elk jaar hebben ze dat in het voorjaar in overvloed. De grutto houdt van langer gras. Vrijwilligers zoeken de nesten op, markeren ze en de boer maait er om heen of hij maait helemaal nog niet. Waarom neemt de gruttostand dan niet toe op boerenland? Misschien wel doordat diezelfde boeren veel beter bezig zijn dan een jaar of tien geleden. Ze strooien veel minder kunstmest, ze zijn zuinig op slootkanten en op waterkwaliteit, ze hebben veel gevarieerdere bedrijfsvoering (duurzamer heet dat) en door dat alles is het milieu er behoorlijk op vooruit gegaan. En wie profiteren daarvan? Precies: de dieren aan het eind van de voedselketen: de roofdieren. Dat vinden we machtig mooi. Meer sperwers, buizerds, valken.  Ooievaars worden gekweekt en beschermd. En vergeet de vossen niet. De vos heeft geen natuurlijke vijand en begint een plaag te worden. Reintje is dol op grutto’s. En mag maar heel beperkt worden bejaagd. Dus soms is er wel es een enkele boer die in een stikdonkere nacht met z’n buks een vosje verschalkt om nog iets van zijn goede bedoelingen met weidevogels te kunnen realiseren. En wat dacht U van de predatie (dat is de deftige naam voor vernieling) van weidevogelnesten door kraaien en eksters. Mogen kraaien eigenlijk worden afgeschoten? Ik vrees van niet. Net zo min als Wageningse onderzoekers die onderzoek doen waarvan de uitkomst van te voren vaststaat.

Gelukkig heeft de Minister van LNV –ook een Wageninger- meer vertrouwen in agrarisch natuurbeheer en als het aan hem ligt wordt er nog een centje meer aan uitgegeven. Het zou mooi zijn als er naast de Ecologische Hoofd Structuur  ook een Agrarische Hoofd Structuur zou ontstaan. Grote aaneengesloten gebieden waar op een ouderwetse, moderne manier wordt geboerd. Waar voedselproductie en natuurbeheer vanzelfsprekend bij elkaar horen. Net als vroeger. En waar Professor Berendse dan de overtollige roofdieren mag komen afschieten.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Eigenbelang
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’, voorjaar 2004  

Op de tv hoorde ik een opgewonden en bezwete Bennie Jolink roepen:  “Wie nu nog boer is in Nederland, die heeft lef! Dat is een man met kop en klote!”  Het publiek joelde. Waarschijnlijk waren ze het met hem eens.

Elke dag elf boeren minder in dit land. En we moeten toch elke dag eten.  Ze zeggen dat er vier miljoen  Nederlanders lid zijn van een milieuorganisatie. Er komen ook steeds meer Vrienden van het Platteland bij. En toch zijn wij met z’n allen niet in staat om onze eigen voedselproductie te beschermen. Kunnen we niet of willen we niet? We schreeuwen moord en brand als er natuur of landschap verloren gaat, we willen rust, ruimte en recreatie, maar we realiseren ons niet dat we Nederlandse melk moeten drinken als we  willen blijven wandelen in het Groene Hart. Maar zo simpel is het wel. Het is puur eigenbelang.

We doen het zelf. Wij zijn bijna geen van allen aan de bedelstaf, nog niet, we kopen ook bijna geen van allen zó groot in, dat een paar centen verschil per eenheid echt verschil maakt in de portemonnee, we zijn gewoon slordig. Wij hoeven ons het lot van de boeren natuurlijk niet aan te trekken. Maar toch wel ons eigen lot. Dat van ons leefklimaat, van onze omgeving, ons milieu. Van ons voedsel en onze gezondheid. Maar doen we dat ook?

Het is de melkdrinkende, toetjessnoepende, kaasschavende, vleesetende consument die de Nederlandse melkveehouderij op de been kan houden.

Ik zag een bevriende plattelandsbestuurder achteloos een pak Zaanse Hoeve stuntmelk in zijn karretje laden. Hij wist natuurlijk best dat stunten met melk over de rug van de boeren gaat, maar dacht niet na. 47 cent in plaats van 62 cent. En hij wisselde op mijn verzoek (ik bleef aardig, hoop ik) het pak makkelijk om voor melk die 15 cent meer kostte. Armer is hij er niet van geworden.

Minister Veerman zei in een interview: “Als de consument zegt: ‘ik koop wat ik wil daar heb jij niks mee te maken’ dan zeg ik, dat is waar. Maar dan stellen we vast dat we met z’n allen mooie praatjes houden en dat ons gedrag daarmee in tegenspraak is. En dan houden we er dus ook voor altijd over op.”  

Ik leun over een landhek en kijk uit over de Meijegraslanden die eigendom zijn van Natuurmonumenten. En ik vraag me af of natuurbeschermers, die tenslotte ook consumenten zijn en bij uitstek bewuste burgers, wel genoeg doen om onze melkveehouderij voor de toekomst te behouden. Wat doen ze in dit opzicht meer dan dat ze de boeren die er nog zijn, hun graslanden laten beheren? Ze versnoepen als ze niet oppassen de laatste generatie melkboeren en zitten over een paar jaar met de handen in het haar. Je  zou verwachten dat ze wat actiever waren in het stimuleren van boerenzonen en –dochters om boer te blijven. Zoals je dubbeldoel koeien hebt, heb je  ook dubbeldoel boeren. Die in staat zijn om dubbel duurzaam te werken. Ecologisch duurzaam èn economisch duurzaam. Ze zijn er nog en Natuurmonumenten heeft de grond. Als echt bewuste burgers en grootgrondbezitters in dat kwetsbare Groene Hart van de  Randstad zouden ze bij  Natuurmonumenten wat verder moeten kijken dan één generatie. 

Uit eigenbelang.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Over verwend zijn en verwend worden

Ik kocht een tartaartje in de supermarkt en bakte die op hoog vuur zoals het hoort. Eerst verbaasde ik me er al over dat het ding in de pan tot de helft verschrompelde, maar toen ie mooi bruin was en ik op mijn bord er met mijn vork in prikte, ontplofte ie zowat en het water spoot omhoog. Goedkoop tartaartje. Meer dan de helft water. Op de TV zag ik dat de supermarktoorlog nu ook met vlees wordt gevoerd. Goedkoop vlees, ja, maar hoe komt het zo goedkoop. Dat het vlees is, kan je zien, maar wat voor vlees het is, daar moet je naar raden.

Ik moest daaraan denken toen ik in Vrij Nederland ik een artikel over Eerstelingen las. Een bijzondere aardappel, die volgens de auteur dezelfde is als de Langendijker of Andijker Muis. "De terugkeer van de aandachtige aardappeleter". Het gaat over aardappelsoorten, vergeten rassen, over smaak, het gaat ook over de onverschilligheid van de consument voor de kwaliteit van het voedsel. "Onverschilligheid is de zekerste manier om de Eersteling te laten uitsterven", staat er geschreven. Aan het woord komt een groentespecialist die zich wil onderscheiden door in alles de beste te zijn. Hij zegt: "Het komt terug, de interesse voor smaak, het leeft allemaal nog veel meer als je kunt zeggen waar je het vandaan hebt." En aan het slot de verzuchting: "Ik moet natuurlijk niet de enige zijn die in de smaak van het seizoen en van de streek gelooft. Veel oudere groenteboeren gaan hun tijd uitzitten, dan straalt ons vak niet meer."

Daar moest ik aan denken, toen ik een beschuitje smeerde met zelfgemaakte jam van eigen aardbeien. Er wordt vaak gezegd dat de consument onverschillig is en verwend. Maar hij kan makkelijk veranderen in een consument die slim is en zichzelf verwent. Met een beetje aandacht.

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Hoe houden we die boeren dan aan het boeren?
Dit artikel verscheen eerder in 'Spil', november 2003
 

Niet zo lang geleden zeilde ik op het IJsselmeer. Op een Volendammer kwak. Dat is een ouwe eiken vissersboot. Overgebleven van de vissersvloot van de voormalige Zuiderzee. Tijdens die zeiltocht, waarbij we verschillende havens aandeden, realiseerde ik me wat de gevolgen zijn geweest van de aanleg van de afsluitdijk. De zegenrijke Afsluitdijk, die Friesland ontsloot, die het zoute water buiten de landsgrenzen hield, veranderde de Zuiderzee tot binnenmeer en daarmee ging een wereld van eeuwenoude cultuur verloren. Niet meer en niet minder. De hele kust vanaf Wieringen, langs Enkhuizen, Volendam via Spakenburg tot in Friesland toe was zijn bestaansrecht kwijt: de zeevisserij. En met de nering verdween het karakter en de basis onder het bestaan. Want niet alleen de visserij verdween, ook allerlei handel en ambachten die van oudsher van de visserij zijn afgeleid. Scheepsbouw, touwslagerij. Overlevingsdrang leidde natuurlijk tot nieuwe bronnen van inkomsten, waarvan vele met een museaal of recreatief karakter. De kracht van min of meer geïsoleerde dorpsgemeenschappen leidde tot behoud van wat karakteristieke eigenschappen zoals architectuur, klederdrachten en folklore. Maar één verschijnsel was onheilspellend en niet te keren: de jeugd trok weg. En daarmee veel vitaliteit en energie.  

Er is veel aan de hand op het platteland. Het platteland is weer een factor van betekenis in de samenleving. Iedereen bemoeit zich ermee. Landinrichting is een toverwoord. Plattelandsvernieuwing  heeft toekomst. Net als de afsluitdijk destijds. Dertien jaar geleden werd de Ecologische Hoofd Structuur uitgevonden. Een zegen voor de natuur. Maar sindsdien is er ruzie. Want natuurontwikkeling staat op gespannen voet met boerenactiviteit. Is dat terecht? Het is niet zo gek, als je bedenkt dat dertien jaar geleden de boeren te boek stonden als viespeuken. Logisch. De boer was een product van de naoorlogse ratrace naar steeds meer produceren voor steeds minder geld. Schaalvergroting, ligboxenstallen, gierkelders  en melkputten, vette leningen van de boerenleenbank, en vooral: steeds meer kunstmest. Het naoorlogse motto was: nooit meer honger. Het  Plan Mansholt was in de jaren vijftig  een briljante revolutie tot heil van boer en voedselproductie. En het is waar: de boer werd er veel beter van en het leidde tot een melkplas en een boterberg van heb ik jou daar. Dus kwamen er melkquota, superheffingen en tenslotte spijtbetuigingen van de oude Mansholt zelf. Maar inmiddels was de boer de vijand van  de natuur geworden en natuurorganisaties de vijand van de boer. Benutting van mineralen, voor de oorlog nog ruim boven de 50%, waren door overvloedig kunstmestgebruik en korte-termijn-denken dramatisch teruggelopen tot minder dan 15%.

Al die niet benutte mineralen kwamen dus in het milieu terecht. De oplossing lag voor de hand: hoe meer ecologische hoofdstructuur en hoe meer Nieuwe Natuur –het toverwoord van de jaren 90- hoe minder boeren, dus hoe minder vervuiling. Net zo makkelijk. De ontmoedigende, steeds strakkere regelgeving heeft veel boeren ertoe gebracht om hun kinderen af te raden om door te ploeteren als koeieboer in kikkerland. Boeren kan je beter in Denemarken, echt ondernemen kan je beter in een ander vak.

De vergelijking met de Zuiderzeehavens aan het IJsselmeer dringt zich op.  

Het Veenweidegebied in het Groene Hart is uniek in heel Europa. Om zijn maat, zijn verkaveling, zijn cultuurhistorie. Bedreigd door verstedelijking en volgens de natuurlobby verpest door de boeren. Boeren die gifgroene biljartlakens wilden waar geen bloemetje mocht staan als er ook gras kon groeien, waar geen bosje mocht blijven als daar weiland kon zijn. Viespeuken. Maar dan hebben we het nu over een verouderde manier van boeren. Wat weer heel iets anders is dan een ouderwetse manier van boeren. Dit verhaal zal gaan over een ouderwetse manier van boeren met moderne middelen. Nieuwe landbouw met het boerenverstand van eeuwen her. Dit verhaal zal gaan over de regenworm.  

Drie jaar geleden viel het  nog  op als je suggereerde dat de boer van ouds her toch de beste beheerder is van het landschap en de ziel van het platteland. Nu is dat al ouwe koek. Ontwikkelingen gaan snel. De boer krijgt eerherstel.  Hij mag weer trots zijn op zijn zegenrijke arbeid. Wederzijds wantrouwen tussen natuurbeheerders en boeren neemt af. En terecht. Want niet alleen vindt bij natuurorganisaties een omslag in het denken plaats, er zijn ook spectaculaire ontwikkelingen gaande  in boerenland. Maar de inkomenspositie van  melkveehouders wordt alleen maar slechter.  

Er wordt heel wat gediscussieerd, geïnventariseerd, onderzocht, gerapporteerd. Ieder gesprek tussen meer dan drie personen heet al gauw een congres, conferentie of symposium. In de discussies worden veel toverwoorden gebruikt. Groene Diensten, Verbreding, Tweede tak, Agrotoerisme.

Ik heb het bange vermoeden dat alle tweede takken, verbredingen en  groene diensten schijnoplossingen zijn als niet primair het inkomen van de boer als boer er structureel op vooruit gaat.

Hoe houden we die boeren dan aan het boeren?  

Als de omstandigheden in het veen midden in de drukbevolkte Randstad zo zijn dat de kostprijs van melk hoger ligt dan elders, dan moet je het produceren van melk vooral niet gaan degraderen tot nevenactiviteit, want dan ben je binnen één generatie al  je boeren kwijt. Het is dom en kortzichtig om dan maar te concluderen dat boeren hier niet nodig is. Het is dom en kortzichtig om te stellen dat die dure, schaarse grond  nuttiger en efficiënter kan worden gebruikt. Het is vooral dom en kortzichtig om voor je voedselvoorziening helemaal afhankelijk te worden van het buitenland. Dat is bovendien milieu onvriendelijk en getuigt van weinig historisch besef.  

En zo komen we vanzelf op de regenworm als de sleutel voor een ecologisch- èn economisch duurzaam landelijk gebied. Voor een rijke boerennatuur, voor een flora en fauna waar ze bij Natuurmonumenten U tegen zeggen; de regenworm als wegwijzer naar een betere economische positie van de melkveehouderij. Dat is nogal wat voor een wormpje.  

Eigenlijk is het in de melkveehouderij misgegaan met de komst van ligboxenstal en gierkelders. Vroeger had je grupstallen en potstallen en dan kreeg je ruige stromest. Dat was het goud van de boer. Ruige mest en bagger: de beste vrienden voor het groeien van mooi, voedzaam gras en voor vruchtbaar land. Het woord mestoverschot stond nog niet in Van Dale. Met de gierkelders kwam het fenomeen drijfmest. Vanaf dat moment werd mest vooral  een afvalproduct. En de vraag werd: Hoe kom ik van die stinkende, ammoniakrijke, vervuilende, giftige rommel af? Spuiten maar. Ammoniak dampen stinken een uur in de wind en maar weinig stikstof wordt op die manier opgenomen door de bodem. Dus moest je wel veel kunstmest gaan gebruiken, dat is logisch. Want het gras moest groeien en we wilden meer melk per koe. Door de ligboxenstallen hadden we ineens een mestprobleem en een groot milieuprobleem.  

Bij alle verbeteringen in de mineralen huishouding die sindsdien op de boerderij  hebben plaatsgevonden is één aspect stelselmatig onderbelicht gebleven: de vitaliteit van het bodemleven èn het belang van dikke vette regenwormen.  Zodebemesting, in de wandeling de injectiemethode genoemd, verplicht gesteld in 1994, is daar het schrijnendste voorbeeld van. Het lijkt zo logisch: als je drijfmest meteen in de grond brengt, krijg je minder verdamping, minder stank en minder verlies. Maar wat er in die bodem  onder de grond wordt aangericht, waar stinkende gier in een zuurstofarm milieu gaat rotten in plaats van rijpen, daar hebben we ons nooit zo mee bezig gehouden. Je kunt het wèl zien. Als er geïnjecteerd wordt barst het achter de machine van de meeuwen. Want de wormen stikken de moord en vluchten in doodsnood naar boven. Smakelijke meeuwenhapjes.

Ondanks dikke rapporten dat mestinjectie lang niet de beoogde 80% reductie van ammoniakemissie heeft opgeleverd, is de methode negen jaar later nog steeds de enige die is toegestaan.  Maar bovengronds uitrijden zonder meer deugt natuurlijk ook niet. Dat is alleen verantwoord als onderdeel van een bedrijfsvoering die integraal daarop is ingericht: Een bedrijfsvoering die begint met  structuurrijk en eiwitarmer voer. Daardoor wordt de verhouding tussen koolstof en stikstof in de mest –de C/N verhouding- gunstiger.  De mest bevat dan minder vluchtige ammoniak, (goede mest stinkt niet !) De regenwormen vinden dat prettig, vermenigvuldigen zich, daardoor krijgt de bodem een betere mineralenhuishouding. De bovenste laag wordt luchtiger en veerkrachtig. Het gras groeit beter en is voedzamer, waardoor veel minder kunstmest  en hardvoer nodig is. Wat blijkt? Het ureumgetal in de melk wordt lager. Bij sommige boeren zelfs onder de 20. Dat is spectaculair! De koeien gaan wat minder liters geven. Ze worden niet meer opgejaagd tot meer dan 10.000 kg per jaar. Ze voelen zich lekkerder, gaan langer mee. Dat betekent met minder liters een beter rendemen. Economisch èn ecologisch. Wie wil dat niet. Het lijkt te simpel om waar te zijn. Maar ik heb het gezien. Bij sommige boeren bij ons in het Westen, bij het Vel&Vanla project in Friesland. Bij Koeien en Kansen zijn vergelijkbare resultaten.  

In het veen hoort daar wel bovengronds uitrijden bij. Oei. Dat mag dus niet. Toch zijn er steeds meer boeren die het doen. Ze steken hun nek uit omdat ze zeker weten dat ze het goed doen en nog beter kunnen. Ze willen dikke, stevige zoden, ze willen hun grasmat sparen en het leven in de bodem is hun bondgenoot. Ze willen niet met die zware injecteurs de slappe bodem samenpersen. Het zijn boeren die bezig zijn met een gezond bodem-plant-dier systeem. Heilzaam voor het bedrijf en een zegen voor libellen, dotters, grutto’s en de grauwe kiekendief. Maar de overheid is daar nog niet aan toe. Deze boeren worden  ten onrechte gecriminaliseerd hoewel ze met recht en reden bovengronds emissiearm drijfmest uitrijden. Ze wijzen een weg naar een gezonde melkveehouderij.  De rechterlijke macht (toch per definitie conservatief) blijkt dan progressiever te zijn dan de wetgever. Want de rechter zegt keer op keer tegen deze boeren: U bent strafbaar, maar ik leg U  geen straf op want U doet het beter dan de wet voorschrijft. Gaat heen in vrede.  

Deze boeren krijgen steeds meer vanuit de wetenschap het gelijk aan hun kant. En misschien binnenkort ook van de politiek. Het wordt tijd. 

Waarom ga ik hier zo uitgebreid op in? Niet omdat het de enige en ultieme oplossing zou zijn voor alle problemen in de melkveehouderij, maar omdat de strategie van efficiënter en gezonder boeren in de discussies over het Groene Hart zelden een rol speelt. De boodschap is altijd maar weer: groene diensten, agrotoerisme, tweede tak, en ondertussen zijn er steeds minder jongens en meisjes die durven beginnen aan een éérste tak. Maar een boer die slecht boert met melk, en beter boert met bed and breakfast of kanoverhuur, die is gauw klaar met boeren en zijn  tweede tak wordt  zijn eerste. En dat bedoel ik met schijnoplossingen. Want van agrotoerisme wordt het landschap echt niet mooier en de natuur niet rijker.  

Verbetering van inkomen uit de eerste tak. Daar gaat het om. En dat kan. Er is steeds meer belangstelling voor boerenproducten.  Ik las ergens: je moet produceren waar de monden zijn. En zo is het. Zes miljoen randstadbewoners krijgen steeds meer belangstelling voor de kwaliteit van hun eten. Vers en lekker zijn belangrijke criteria aan het worden. Slow food is de reactie op junk food. En over de veiligheid van levensmiddelen uit verre landen is  het laatste woord nog niet gezegd.  

Er is een duidelijke trend in restaurants om mooie, eerlijke, hoogkwalitatieve ingrediënten te verwerken. Supermarkten verkopen binnenkort geen legbatterij eieren meer. Waarom niet? Wij kopen ze kennelijk niet. De macht van de consument. Die macht kunnen we meer mobiliseren, denk ik.

In de Randstad zijn inmiddels zo’n 20 Groene Hart Landwinkels. De groei en bloei van die boerderijwinkels is een belangrijk signaal. Boeren verzinnen nieuwe lekkernijen. Roodschimmelkaas Petit Doruvael komt uit Montfoort; Blauwe Klaver, een zachte blauwschimmelkaas, uit Harmelen. In Snelrewaard maken ze geitenkaas. In Zegveld verkopen ze  prachtig, smakelijk roze kalfsvlees van loslopende stiertjes en schapenkaas is de nieuwste aanwinst in de Meije. In Woerden is al maanden een wekelijkse streekmarkt op zaterdag. Groot succes.

Streekproducten geven het gebied kracht en identiteit. Daar moet je ook weer niet al te fundamentalistisch in zijn: een kiwi uit Nieuw Zeeland kan heerlijk smaken, maar een Argentijnse biefstuk misschien wat minder.  Hoe dan ook: Luilekkerland ligt in je achtertuin.  

Er is dus wel degelijk toekomst voor een nieuwe / ouderwetse melkveehouderij in het veenweidegebied van het Groene Hart.

Twee kansrijke pijlers: Respect voor de meest bedreigde diersoort, de regenworm ter wille van een beter ecologisch en economisch resultaat  en meer productie en afzet van  kwalitatief hoogwaardige streekproducten. Het kan de redding zijn voor eeuwenoude cultuur en is de beste garantie voor een rijke natuur. De boer moet boeren. Daar gaat het om. Al dat andere moois waar we zo op gesteld zijn komt dan…nou ja niet vanzelf. Dan is de beurt aan de samenleving. Dan komen Groene Diensten, hectare vergoedingen, groenfondsen in beeld. Heel belangrijk. Maar zonder boeren die boeren wordt het niks.  

Gras & Wolken heeft een tekst van Koos van Zomeren als motto gekozen: “Wat onvervangbaar is, kun je maar één keer verknoeien”. Ik voeg er aan toe: “Wie onvervangbaar is, kun je maar één keer kwijtraken.”

Want ondertussen gaat de uittocht nog steeds door. Soms moeten we heel hard roepen: tot hier en niet verder. En dat doe ik nu maar es in dit blad. Gedenk de regenworm. Die wijst de weg.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


In de ijskast
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 4, 14 oktober 2003

“Power to the pieper” roept het spandoek aan het begin van de markt ons toe vanaf de aardappelkraam. Als U dit leest staat de streekmarkt in Woerden er al bijna een half jaar. Elke zaterdag. En het is er hartstikke druk. Het is er ook gezellig. Veel vaste klanten, jong en oud, en ook elke week weer nieuwsgierige nieuwkomers. Ze komen uit de verre omtrek, want in de hele Randstad bestaat zoiets nog niet. Woerden heeft de primeur. Uit omliggende gemeenten komen ze de kunst afkijken, want zo’n publiekstrekker willen ze allemaal wel.  

In wezen is zo’n markt natuurlijk opgezet om politiek-sociaal-economische redenen. Ja, het klinkt wat zwaar, maar het gaat er tenslotte om dat boeren die trots zijn op hun produkten, die gewaardeerd willen worden om hun vakmanschap en die een fatsoenlijk inkomen willen verdienen, dat die boeren hun kwaliteits-produkten ook in de regio willen verkopen. Niet alleen vanaf de boerderijwinkel, nee ze willen naar de consumenten toe. Stad en land  moeten meer bij elkaar komen. Maar waar blijkt het in de praktijk vooral om te gaan? Om de gezelligheid. En natuurlijk ook om lekker en om vers en om niet te duur.  

Er zijn wel vier kaaskramen. Twee met koeienkaas, één met geiten- en één met schapenkaas. Er is Zegvelds veenweide vlees, er zijn eieren, brood en banket van de warme bakker. Groente en fruit van het seizoen, noten, jam, sappen en chutneys. Bloemen en planten van kwekers uit de buurt. Aardappels, biologische zuivel, het lekkerste roomijs dat ik ken en een aantrekkelijke kraam met boeren tuingereedschap en klompen. Maar je kunt er ook een broodje paling eten en crêpes gevuld met kaas of jam van de markt. Je kunt er een krantje lezen met warme chocolademelk of een kop soep. En ondertussen vermaken de kids zich in een variant van de IKEA ballenbak: Een vierkant van strobalen met konijnen en hamsters. Er zijn kippen met kuikens en soms is er een heel aaibaar kalf met van die mooie lange wimpers.  

In de folder van de markt lees je dat het gaat om producten met een verhaal. Nou, dat merk je. De standhouders –bijna allemaal zelf boeren en tuinders-  kletsen de blaren op hun tong.  

Zoals Truus. Die staat met rund- en kalfsvlees, maar verkoopt ook biest die ze zelf heeft geweld. Dat ìs toch lekker.... “Dat smaakt naar vroeger”, zegt een klant. Een ander vraagt naar de precieze kunst van het wellen. “Meteen van het vuur zodra het op de lepel blijft liggen. Wel een houten lepel natuurlijk, anders lukt het niet.”

Op een dag kwam een man met een royale buik aan de kraam. “Heb je echt biest?” had ie gevraagd. “Dat heb ik in geen jaren meer geproefd” Hij kocht een pot en kwam de volgende week weer. Hij was er al vroeg. “Geef maar vier liter” zei ie. “Zo” zei Truus “Smaakte het zo goed? Denk er wel aan dat U ze in de ijskast bewaart”. De man lachte. “Dat gaat allemaal in deze kast” en hij wreef wellustig over zijn buik. En na een kleine dramatische pauze: “En in die van m’n vrouw.”  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Mensen en boeren
Deze column verscheen eerder in ‘PLATTELAND’ nr 3 17 juli 2003

Je hebt mensen en je hebt boeren. Vroeger woonden er alleen boeren op het platteland, plus wat mensen die werden aangeduid als notabelen. Nu wonen er steeds meer mensen en minder boeren. De mensen die er niet wonen, gaan er in steeds grotere aantallen naar toe. Dat is mooi, dat geeft grond aan een club als Vrienden van het Platteland. Maar elk voordeel hep z’n nadeel, zoals U weet, en we moeten oppassen dat de mensen de boeren niet op hun eigen land de wet gaan voorschrijven. Maar dat is een verhaal apart, waar nog wel een paar stukjes over zijn te schrijven. Nu even niet.  

Ik ben zo’n  mens die op het platteland woont. Tussen de boeren. Ik heb een beetje grasland en dus een paar schapen. Laatst hebben mijn vrouw en ik de avond doorgebracht in Amsterdam en toen we diep in de nacht thuis kwamen lag er een verrassing op de mat. Een mysterieus briefje: “Het verloren lammetje is nu [00:38] weer bij mammie. Hij/zij zat in de sloot bij de tuin. Groeten Koen en Hugo.”  Kan je dan geen avond weg? Nee, kennelijk niet als je een lam in de wei hebt lopen van nog geen drie weken oud. Iedere boer weet dat. Maar ik ben een mens. Zodoende.

Na een lange dag van graskuilen fietste Hugo, boerenzoon van 20,  om half twaalf eindelijk naar huis. In de berm van de weg hoorde hij een lam mekkeren en aan de overkant van het water, in onze wei het geblaat van de moeder. Wat te doen? Aanbellen. Die mensen zijn diep in slaap, dacht Hugo, ze doen niet open. Terug naar de plek. De berm is wild begroeid met manshoge brandnetels, Hugo had een korte broek aan, straatverlichting is er niet, het is donker en het lam is zwart. Op zo’n moment zou ik denken: Bekijk het maar. Het is mooi laat, ik ben moe, ik heb niks gehoord en het is niet mìjn lam. Hugo niet. Hij fietst naar huis. Maakt zijn 14 jarige broertje Koen wakker. Trekt een lange broek aan, pakt een auto en rijdt terug. Koplampen op de berm, Koen aan onze kant van de sloot met een zaklantaarn, lam gevangen en bij de moeder teruggezet. Briefje gemaakt, klus geklaard. “Ach” zei hij de volgende dag, “het was toch al laat en je kunt zo’n diertje toch niet laten barsten. En jullie werden maar niet wakker….” Je hebt mensen en je hebt boeren.   

Dan nog even over de huismus. Dat eens zo gewone vogeltje verdwijnt. Waarom? Volgens de vogelbescherming omdat we niet meer van tafelkleden eten en dus de kruimels niet meer uitslaan op het balkon. Het is waar: mussen zijn dol op kruimels.  Het zit ‘m alleen niet in de tafelkleden. Het komt door het voorgesneden brood. Een voorgesneden boterham kruimelt niet. Gemakzucht dus ten koste van de mus. Wij snijden tegenwoordig ons brood weer zelf. En ik kan U verzekeren, qua inspanning valt dat reuze mee. En ja hoor: lekker veel kruimels op de plank en de huismus weer terug. Net zo makkelijk.

Een boerin verderop, moeder van een groot gezin, snijdt ook zelf, maar om een andere reden. “Mussen? die zijn er hier volop rond de boerderij. Nee, dat voorgesneden brood kost veel meer beleg!  De sneden zijn te dun.” En zo is dit stukje weer terug waar het begon.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


Luilekkerland
Deze column verscheen eerder in 'Platteland' nr 2 2003

Ik loop op een zaterdagmorgen over de Noordermarkt in Amsterdam. Daar is elke week biologische markt. Uit het hele land komen producenten met hun groente, fruit, brood, boter, kaas en eieren naar de markt. Het is er druk en het ruikt er lekker. Voor veel Amsterdammers zijn de zaterdagse marktinkopen vaste prik. Mensen die door de week snel en makkelijk doen, maken in het weekend vaker werk van lekker koken. 

18 jaar geleden is die markt begonnen. In het begin was het een kleine, beetje wereldvreemde markt voor echte freaks. Een soort protest tegen vervlakking, verrommeling en vervuiling, een pleidooi voor puur natuur. De ecologische fruitteler kwam er zelf met een paar kistjes fruit van het seizoen. Het succes van de markt leidde tot uitbreiding. Er is nu prachtig brood, (wat ruikt dat lekker!) veel mooie kazen, vlees van biologisch opgevoede schapen en geiten, fruit waar het water je van in de mond loopt.. Ook paddestoelen, jam, chutney, kruiden. De fruitkweker neemt in het voorjaar bloesemtakken mee en er zijn zelfgebakken taarten en crêpes.

“Het lijkt hier wel luilekkerland.” Hoor ik achter me.  

Er is veel leed. De wereld holt achteruit. Ik wil het er niet over hebben. Maar er zijn ook positieve signalen. Als reactie op fastfood ( je mag geen junkfood meer zeggen) is er een groeiende belangstelling voor …ja, waarvoor eigenlijk? Voor zelf koken? Voor ouderwetse kwaliteit? Voor weten wat je eet? Voor lekker en vers?  

U woont in de Randstad, U bent tussen de 18 en 88 jaar, van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, U heeft een gezin, of niet, U bent lid van Natuurmonumenten en U bent Vriend van het Platteland. Of niet natuurlijk. U bent zich bewust van de kwaliteit van het leven en U voelt die kwaliteit elke dag tussen Uw vingers wegglippen. Dat geldt ook voor Uw eten en drinken. Moet je dan streng zijn en consequent? Nee, je moet vooral een beetje je gezonde verstand gebruiken.

Er is natuurlijk niets mis als U een kiwi uit Nieuw Zeeland eet of geniet van een mooie Roquefort. Er is ook niets mis met zo nu en dan een croquet uit de muur. Maar als U es wist wat er allemaal voor lekkers groeit in Uw achtertuin! Dat weet U wel, maar U zou misschien wat vaker kunnen kiezen voor vers en  lekker en veilig.  De Nederlandse boeren willen graag uw koelkast vullen. Boter, kaas en eieren, appels, peren en pruimen komen uit het Groene Hart. Roze kalfsvlees kan uit Zegveld komen, schapenkaas uit de Meije en geitenkaas uit Snelrewaard. Blauwe kaas komt uit Harmelen,  Petit Doruvael is een roodschimmelkaas uit Montfoort. Twintig Groene Hart Landwinkels verkopen hun eigen boerenkaas en nog veel meer lekkers vanuit de boerderij. In Woerden komt er een wekelijkse streekproductenmarkt. En die wordt vast net zo leuk als de Noordermarkt in Amsterdam. Wie volgt?  

In het veenweidegebied van de Randstad zit nog een grote vitaliteit bij jonge boeren die willen blijven doen wat hun voorouders deden. En dat kan. Niet als ze met hun melk en vlees de concurrentie moeten aangaan met de bulkproductie van elders op de wereld. Wel als er  vlak bij huis een groeiende markt is voor hun kwaliteitsproducten. Wat let U, inwoner van de Randstad. U bent toch niet voor niets Vriend van het Platteland. Luilekkerland ligt in Uw achtertuin. Het lijkt wel een sprookje.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^


De Groene Glazenmaker
Deze column verscheen eerder in het eerste nummer van “PLATTELAND” magazine voor Vrienden van het Platteland, maart 2003  

“Elkaar inspireren, dat is waar het om gaat” zegt Irma. “Boeren en natuurbeschermers hebben elkaar nodig en kunnen ontzettend veel van elkaar leren.”

Een waarheid als een koe, zou je zeggen. Maar de werkelijkheid is soms anders.  

Wij wonen in het veenweide landschap van het Groene Hart. Temidden van boeren en terreinen van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.  Dat is een mooie plek om te wonen. De kans dat dit gebied wordt volgebouwd of dat er een weg doorheen wordt aangelegd is klein. Toch is er geen rust op het land. De boeren hebben het moeilijk en de Ecologische Hoofd Structuur komt maar niet van de grond. Er is voortdurend discussie over de hoogte van het slootpeil.  Natuurontwikkeling heeft last van verdroging en de boeren willen voor hun koeien een beetje behoorlijk draagvlak.

Zowel boeren als natuurbeschermers willen het landschap mooi houden. Maar ze hebben niet altijd dezelfde opvattingen over kwaliteit.

Ik vraag me wel eens af of er genoeg bekend is over de rijkdom aan flora en fauna die aanwezig is op het gewone, productionele deel van een melkveebedrijf.  

Het was een mooie zomerdag in 2001. Een dag om op het terras koude tomatensoep te eten. Zo’n dag die mooier wordt naarmate de middag vordert en het licht zachter. Udo was op bezoek. Udo is van Natuurmonumenten. Iemand die, net als wij, zou willen dat de controversen tussen boeren en natuurbeschermers niet zouden bestaan. Wij spraken over verleden en toekomst en vertelden over de boerderij van Theo en Truus hier vlakbij. Dat daar zoveel zwaluwen in de stal zijn, dat er stukken grasland zijn die eeuwen niet op de schop zijn geweest en waar een rijk bodemleven heerst (“Mijn kleinvee” noemt Theo het). Dat het water van de sloten er zo schoon is en dat de slootkanten door Theo en zijn kinderen met de hand wordt gemaaid. (“Boeren fitness” noemt Theo dat). Udo kende het bedrijf niet en wilde het wel es zien.  

Theo was aan het graskuilen. Dat moet voor de avond klaar,  maar hij vond dit wel een bijzondere visite. Hij liet het kuilen over aan zijn zonen, liep met ons het land in en begon te praten. Hij liet zien dat zijn koeien nooit de slootkanten kapot trappen, want die zijn afgezet met een draadje. Hij liet de verharde drinkplaatsen zien. En de sloot waar hij in zwemt.  Hij vertelde aan één stuk door. We waren onder de indruk van zijn bevlogenheid. Udo ook. Veel soorten bloemen in de kant, een rijkdom aan variëteiten. En behoorlijk veel krabbescheer. Een indicator voor schoon water.

Theo’s jongste zoon Koen liep mee en was onder de indruk van wat Udo allemaal zag en aanwees. Eigenlijk wist ie niet dat hun sloten zo bijzonder waren.

Opeens boog Udo zich naar voren en wees een onaanzienlijke libel aan. “Kijk!”zei hij “De gewone pantserjuffer. Als die zich hier lekker voelt dan heb je ècht schoon water.” Theo en Koen incasseerden het compliment . Een meter of tien verder gebeurde het wonder. Udo verslikte zich bijna. “Er zijn er wel vijftig! En kijk daar: de variabele waterjuffer! Die wil niet alleen een prima vegetatie in het water, maar die is er alleen als ook de kwaliteit van de oever top is.”  Koen luisterde met rode oren. Wees Udo op allerlei ander moois, dat hìj nou weer bijzonder vond. Er ontstond een levendige gedachtenwisseling. Een mooi voorbeeld van wederzijdse inspiratie. En toen zei Udo: “En daar hebben we de groene glazenmaker. Dat is een rode lijst soort. Dat wil zeggen dat ie er bijna niet meer is.”
”En wìj hebben ‘m!” riep Koen.

Het was een mooie zomeravond in juli op de boerderij.  

Bram van der Vlugt

terug naar boven ^